Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/308

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 284 —

geen door het woord leven in onze tweede zinsnede verstaan wordt: men verzoeke hen eens om duidelijk en zonder dubbelzinnigheid de kenmerken op te geven, die ons in staat stellen om te beslissen of een voorwerp levend of levenloos is,.... welk antwoord zal men ontvangen? Van enkelen misschien een vrij juist, van sommigen een onjuist, van verreweg de meesten in het geheel geen.

Het zoude zeker wel der moeite waard zijn om eens opzettelijk na te gaan, hoe het komen mag, dat de mensch over het algemeen zulk eene overheerschende neiging tot oppervlakkigheid vertoont, en klanken bezigt als of het voor hem woorden waren, zonder ooit te bedenken, dat hij wel zou doen, wanneer hij trachtte een weinig dieper door te dringen. Zou het een aangeboren, duister besef zijn van de groote en aanhoudende inspanning, waartoe hij, door dit streven, zijnen geest verpligten zou? Of zou het ook misschien te wijten zijn aan die eenzijdige rigting in onze opvoeding, die zoo lang onbeperkt is gehuldigd geworden, en nog bijna door iedereen gehuldigd wordt, niettegenstaande men hier en daar pogingen ziet aanwenden, om eenen meer rationeelen toestand te doen geboren worden—ik bedoel hier den voorrang, dien men aan taalstudie, dat is aan de kennis van de namen der zaken, toekent boven de studie der natuur, dat is van het wezen der dingen?

Maar zulk een onderzoek zou niet, althans niet regtstreeks, te huis behooren in deze bladen. Ik geloof dus, liever dan hierin verder te gaan, terug te moeten keeren tot het onderwerp dat ik hierboven aanroerde. Immers, het is mogelijk dat deze regelen onder de oogen komen van iemand, voor wien er nog iets duisters in de beteekenis van het genoemde woord bestaat, die zich zelf nog het antwoord op de straks gestelde vraag geheel of ten deele schuldig blijven moet, en hij heeft het regt om van mij te eischen dat ik hem dienaangaande eenige opheldering geve. Ik weet daartoe niets beters te doen, dan kortelijk het onderscheid te schetsen, dat er tusschen een levend voorwerp, een dier of eene plant, en een levenloos, een steen b.v., bestaat.

Alligt zal iemand hier denken dat men, als men de vraag zich zoo beperkt voorstelt, met het antwoord niet behoeft te dralen en