Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/310

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 286 —

ningen in bevinden, waardoor de stoffen naar binnen kunnen geraken, holten, waarin die stoffen het eerst aankomen en waarin zij de noodige bereiding ondergaan kunnen, enz. Alle deze inrigtingen noemt men werktuigen, organen, en daarnaar worden de ligchamen van dieren en planten ook wel bewerktuigde, organische geheeten, in tegenstelling van de met zulke inrigting niet bedeelde, de onbewerktuigde, anorganische ligchamen.

De werking van alle deze organen nu is het, wat wij het leven noemen. Zoolang een dier of eene plant in staat is om stoften van buiten af op te nemen, die naar binnen te brengen en ze daar, na eene voorafgaande bereiding, een deel te doen uitmaken van zich zelve, en weer naar buiten te voeren wat van die stoffen daartoe niet geschikt is, of van zijn eigen ligchaam daartoe ongeschikt is geworden, zoolang leeft het dier of de plant.

Ik acht het onnoodig hier in nadere bijzonderheden te treden aangaande de werking dier organen. Voor de lezers van dit Album zou zulks volstrekt overbodig zijn na hetgeen op pag. 123 daaromtrent zoo duidelijk als juist is gezegd geworden.

Een enkel woord dus nog maar over eene dwaling, waarin men naar aanleiding van mijne verklaring hier boven, welligt zou kunnen vervallen. Men zou namelijk daaruit kunnen opmaken dat men het groeijen, het toenemen in omvang of gewigt, als een onafscheidbaar attribut van het leven moest aanmerken en dit zou met de ervaring in openbaren strijd zijn. Maar men herinnere zich wat ik zoo even zeide van het wegvoeren van die stoffen, welke ongeschikt geworden zijn, om een deel van het dierlijk of plantaardig ligchaam uit te maken. Er heeft dus niet alleen een aanvoer, maar ook een afvoer plaats, en het dier of de plant kan natuurlijk dan alleen groeijen, dat is in omvang toenemen, als die aanvoer, zoo als dit in het gezonde dierlijk ligchaam in het eerste gedeelte van zijnen levenstijd steeds geschiedt, sterker is dan de afvoer van de tot het leven ongeschikte of onnoodige stoffen.

 H.
W.