Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/516

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 98 —

sterrekundigen, die in elke nieuwe ontdekking zich een ruim veld van waarneming en berekening geopend zien, maar ook in 't algemeen voor allen, die belang stellen in eene diepere en grondigere kennis der natuur. Van waar komt het toch, kan men vragen, dat in den laatsten tijd de ontdekkingen van zoo vele planeten met zulk eene verbazende snelheid elkander opvolgen, dat haar getal in een betrekkelijk kort tijdsbestek meer dan verdubbeld is? Bestaat er dan welligt tusschen deze nieuw ontdekte ligchamen eene onderlinge verwantschap en naauwer verband? Vormen ze welligt een groot en zamenhangend geheel?

De laatste ontdekkingen leiden onwillekeurig tot deze en dergelijke vragen. Ik zal niet op mij nemen een volledig verslag te doen van deze ontdekkingen, maar wil alleen daaruit aanleiding nemen om meer in 't algemeen iets mede te deelen over de ontdekking der kleine planeten, gewoonlijk asteroïden of planetoïden genoemd, vooral in den laatsten tijd.


Eerst zullen wij zoo beknopt mogelijk verhalen, wat aanleiding heeft gegeven tot de ontdekking van zoo vele planeten, en vervolgens aanwijzen, welke verwantschap en overeenkomst er tusschen deze kleine planeten bestaat.

De oudheid kende slechts vijf planeten, namelijk Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus. Men hield de aarde geenszins voor eene planeet, maar veelmeer voor het centraal-ligchaam, het vaste middelpunt des heelals, rondom hetwelk de zon, de maan en de planeten haren loop volbragten. Maar toen copernicus begon te leeren, dat niet de aarde, maar de zon het vaste punt is, rondom 't welk de aarde en de planeten hare banen beschrijven, werd gevolgelijk ook bij het van ouds bekende vijftal planeten onze aarde, als het zesde ligchaam van die soort, gevoegd.

De oudste sterrekunde kon ook wel niet verder gaan, omdat zij niet dieper in de ruimte des hemels vermogt in te dringen, dan voor een scherp en wel geoefend gezigtszintuig mogelijk was. Maar geheel anders werd dit, toen het veld der waarneming door de uitvinding der teleskopen aanmerkelijk werd uitgebreid. Het ging