Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/645

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen


 

DE MIJNEN EN HARE ONTGINNING.

DOOR

J. P. DE BORDES.

 

 

In een vorig opstel in dit Album werd ons door eene kundige hand eens korte doch duidelijke schets gegeven van de groote veranderingen, welke onze aardbol heeft ondergaan en nog ondergaat; hoe door die veranderingen de delfstoffen in gangen en aderen in de korst der aarde zijn ingelegd, of daarop in lagen afgezet. Ons werden daarbij de groote verpligtingen herinnerd, welke wij aan de delfstoffen hebben, zonder welke de maatschappij thans inderdaad niet zou kunnen bestaan. Indien wij verder opmerken, dat, bij de telkens grooter wordende behoefte aan die voor ons onontbeerlijke stoffen, ook steeds nieuwe voorraadplaatsen daarvan worden ontdekt, dan moeten wij de wijsheid van de Voorzienigheid ook hierin bewonderen, die voor alles gezorgd en alles zoo geregeld heeft, dat de mensch zich vrij kan blijven ontwikkelen en de beschaving met hare weldaden zich meer en meer kan uitbreiden. Sommige metalen waren reeds in de oudste tijden bekend. Vóór den zondvloed was tubalkaïneen leermeester van alle werken in koper en ijzer; en in het Oude Testament vindt men menigvuldige bewijzen, dat het brons en ijzer vele eeuwen vóór Christus geboorte tot verschillende doeleinden werden gebruikt. De Egyptenaren schreven de ontdekking der metalen toe aan hunnen eersten Koning menes, die 2220 jaar vóór Christus leefde. De oude volken gebruikten vooral het brons, dat, zoo als wij weten, een mengsel van tin en koper is, om daarvan gereedschappen en wapens te maken; in de overblijfselen van Thebe, in