Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/657

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 237 —

De galerijen zijn de onderaardsche gangen, waardoor men uit den put tot de laag of den gang komt, en deze verder doorkruist om het mineraal daaruit te verkrijgen; zij zijn van verschillende afmetingen, somtijds slechts zoo hoog dat een mensch er even door kan kruipen; in andere groeven zijn zij daarentegen vele ellen hoog; hun vorm is meestal regthoekig, doch ook wel van onderen breeder dan van boven, of als door een gewelf gedekt.

Indien het gesteente, waar de galerij in gemaakt wordt, vast is, kan deze in de rots uitgehouwen worden, en zonder eenige ondersteuning blijven staan; is het daarentegen weinig zamenhangend, dan moet de galerij bekleed worden, ten einde instortingen te voorkomen. Somtijds is het voldoende alleen het dak, het bovenvlak van de galerij, te ondersteunen, maar in vele gevallen moet men dit ook de zijwanden doen. Moet het dak alleen ondersteund worden, dan plaatst men op zekeren afstand van elkander balken tegen het dak, welke hunnen steun vinden in de zijwanden der galerij; over deze wordt dunner hout gelegd. Zijn de zijwanden ook zwak, dan worden de bovenste balken op stijlen gesteld en achter de stijlen eene bekleeding als op de bovenste balken gebragt. Is eindelijk de bodem niet vast, dan worden de stijlen op eenen onderdorpel geplaatst, en het timmerwerk van de galerij heeft de gedaante van een deurkozijn. In zeer losse gronden is het maken van de galerijen hoogst moeijelijk en vordert veel bekwaamheid en voorzigtigheid.

Het timmerwerk van de deelen der mijn, welke, na het daaruit verwijderen van het mineraal, verlaten worden, en hetwelk dient om het instorten van het hangende tegen te gaan, wordt natuurlijk zoo eenvoudig mogelijk gemaakt, en bestaat gewoonlijk alleen uit stutten, somtijds van boven door dwarsbalken vereenigd; bij het verlaten der mijn wordt dit timmerwerk er zooveel mogelijk uitgehaald; meestal gelukt dit echter slechts met een gedeelte, daar het gevaar van instortingen het weghalen van al het hout onmogelijk maakt.

Zeer wijde, tot een langdurig gebruik ingerigte galerijen, en welke in een gesteente gemaakt worden, hetwelk door de lucht verweert, worden gemetseld. Dit metselwerk bestaat uit twee regtstandsmuren met een gewelf daarover; somtijds rusten die muren