Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/787

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 367 —

lischdodden; 20°. van aardmos; 21°. van stroo; 22° van boombladen; 23°. van boerenkoolstronken; 24°. eindelijk nog een papiermonster van afval van al die monsters.

Voor de historie der papier-fabriekagie is het werkje niet onbelangrijk, hoewel de meeste monsters getuigen dat de papiersoorten, als schrijfpapier, onbruikbaar zijn. Dit is intusschen merkwaardig, dat toen reeds (dat is in 1770) gebrek aan lompen tot deze rigting der industrie heeft aanleiding gegeven.

Er is nog zeer onlangs eene mededeeling gedaan van proeven met hout genomen om papier te maken, die hier vermelding verdient. De papierfabriekant gross, te Gierdorff bij Warmbrunn in Silezie, heeft papier gemaakt uit dennenhout (Pinus Abies). Dit is zeer schoon wit, en, wegens het gehalte aan hars, behoeft het niet te worden gelijmd. Men neemt het hout van jongere stammen. Het hout wordt tot eene fijne witte pap gebragt; die pap wordt gebleekt, en daarbij wordt een gedeelte ruw papier uit lompen gevoegd. Het is wel meer geel van kleur, doch dit is welligt in 't vervolg weg te nemen door bleeken. Het is voor drukken met kleuren bijzonder geschikt, vooral met blaauw en rood. De genoemde fabriekant heeft echter, tot hiertoe, bij voorkeur kaart- en bordpapier vervaardigd. Op dit papier heeft men vier exemplaren gedrukt van de verhandelingen van het Schlesische Forstverein, en daarvan is één exemplaar aan den Koning van Pruissen aangeboden, die over de nieuwe uitvinding zijne bijzondere tevredenheid heeft betuigd[1] .

Men vindt bijna overal opgegeven, dat het zoogenaamd rijstpapier afkomstig is van eenen boom van Oost-Indie, en die ook op het vaste land van Azië zou voorkomen, te weten van Aeschynomene paludosa, of misschien wel eene andere soort van dit geslacht. Het zou namelijk het merg van dezen boom zijn, waarvan men dat schoone, doorschijnende en fluweelachtige papier zou maken. Zekere of zelfs aan waarschijnlijkheid grenzende mededeelingen, in

  1. Botanische Zeitung 15 April 1853. Tijdschrift ter bevordering van Nijverheid. 1853. bl. 404.