Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/148

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 134 —

vatbaar. Raffles heet hen mak en handelbaar, en george bennet, die eenen Siamang tot reisgenoot had, noemt dezen slim, levendig en voor gehechtheid vatbaar.

De overige Gibbons bewonen de bergachtige streken van den Indischen Archipel, en blijven aldaar binnen de grenzen der vijgenbosschen, in kleine troepen op bergruggen en minder steile hellingen. Bij het minste gedruisch ijlen zij den berg af en verdwijnen in de donkere valleijen, alwaar zij zich op de kroonen van hoog gestamde boomen ophouden, welke zij schier nooit verlaten, maar waaruit zij zich van den een naar den anderen tak, door middel hunner lange armen, met eene snelheid slingeren, die de vlugt van eenen vogel herinnert. Zelden grijpen zij daarbij mis. Op den grond daarentegen is hunne beweging een waggelend springen, dat alleen op de achterpooten geschiedt, waarbij zij zich, gelijk ik herhaaldelijk den Wouwou (Hylobates leuciscus) zag doen, met de lange voorpooten in evenwigt houden.

Tot zoo verre gaat mijn kort en snel overzigt der natuurlijke geschiedenis van de Anthropomorphen. Zal ik echter mijn doel bereiken, dan behoor ik er enkele bijzonderheden omtrent het maaksel dezer dieren aan toe te voegen, omdat wij geleidelijk tot de beantwoording komen der vragen, aan het hoofd van dit betoog gesteld. Ik zal daarin kort en duidelijk trachten te zijn; want ik gevoel dat ik het geduld diergenen mijner lezers moet sparen, die in de ontleedtafel en in al hetgeen daarop ten toon wordt gesteld, geen behagen scheppen. Hen, die dieper daarin wenschen door te dringen, verwijze ik tot hetgeen ik elders te boek stelde.[1]

In den schedel der Anthropomorphen zijn ongetwijfeld de volgende punten van toenadering tot den mensch op te merken: gewelfd en ruim bekkeneel en weinig uitpuilend aangezigt, vooral in den Gorilla en in den Siamang; enkelvoudig voorhoofdsbeen, groot achterhoofdsgat meer naar boven geplaatst, vooral in den Gorilla; rondachtige kin, vooral in den Siamang; breede met hunnen voorrand vrij staande en bij enkele gedeeltelijk dubbele neusbeenderen,

  1. W. Vrolik, Het Leven en het Maaksel der dieren, Deel 1, Amsterdam, 1853.}}