Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/194

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 180 —

harde horenachtige zelfstandigheid. Het schijnt, dat in den buitengewoon grooten kop van het dier al de spieren zich vereenigen,

Mannetje en vrouwtje mier

om aan dat wapen eene geduchte kracht te geven, waartegen geen bladsteel of stengel bestand is.—De pooten, vooral bij de mannelijke, zijn vrij lang, naar evenredigheid van het kleine en slanke ligchaam, zoodat zij zich hoog op kunnen rigten bij het torschen harer prooi, meestal uit boom- en plantenbladeren bestaande. Zij loopen zeer snel. Het wijfje is minder sterk van gebit, trager in hare bewegingen en zweeft met eene logge ritselende vlugt, gedurende een zeker tijdvak van het jaar, overal, in vrij groote menigte, door het lage struikgewas en over de vlakten rond; en