Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/26

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 14 —

Inderdaad is de rol, welke de infusiedieren vervullen, een hoogst gewigtige. Alle organische voorwerpen bestaan uit enkelvoudige, dat is voor geene verdere ontleding vatbare stoffen, waarvan de voornaamste, dat is die welke nimmer ontbreken, zijn: koolstof, zuurstof, stikstof, waterstof en zwavel. Dadelijk na den dood begint echter het verband tusschen deze stoffen verbroken te worden; de ontbinding vangt aan, die in verrotting overgaat, en daarbij ontstaan nieuwe verbindingen, die gasvormig zijn, koolstofzuur, koolwaterstof, ammoniak, zwavelwaterstof. Deze zijn alle in meerdere of mindere mate schadelijk voor het dierlijk leven, en zoo ook voor den mensch. Doch eer nog de ontbinding tot dien uitersten trap gekomen is, eer nog de lucht verpest en voor inademing ongeschikt is geworden, is ook het verbeteringsmiddel doorgaans bij de hand. Talrijke vogels, insekten enz. voeden zich bij voorkeur met die doode voorwerpen, en hetzelfde doen de infusiedieren. Hun organisch leven stelt hen in staat tot weder vastlegging van die bestanddeelen, welke anders in gasvorm ontwijken zouden. Wel is de ligchaamsgrootte van elk hunner gering, doch hunne verbazend snelle ontwikkeling en vermenigvuldiging doen weldra hun aantal zoo zeer toenemen, dat zij gezamenlijk voorzeker een niet minder aanzienlijk vermogen bezitten om den dampkring voor verontreiniging te bewaren, dan vele merkelijk grootere doch in geringer getal voorhanden dieren.

De infusiedieren zijn derhalve de vastleggers van organischen stof in organischen vorm; zij dienen mede tot handhaving van het evenwigt in de natuur. Maar zij zijn nog meer. Uit hoofde juist hunner kleinheid strekken zij tot voedsel van vele andere iets grootere dieren, insekten en hunne maskers, kleine schaaldieren, wormen, polypen enz., die met hen in het water leven. Deze op hunne beurt worden de prooi van visschen, die zonder de tegenwoordigheid van gene niet zouden kunnen bestaan. De visschen eindelijk strekken tot voedsel aan andere dieren en daaronder ook aan den mensch. En zoo ziet men hoe ook hier, even als overal elders in de natuur, de eene schakel in den anderen grijpt, en aldus een harmonisch geheel ontstaat. Ook de zoo nietige infusiedieren vor-