Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/266

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 252 —

sloepen eenen wijden kring om hunne prooi sloegen, kalm en rustig de laatste doodsstuipen er van afwachtende; deze waren kortstondig, maar boven alle beschrijving hevig. Het gevaarte verrees uit de zee en stortte in de diepte, sloeg met staart en vinnen, terwijl de ontroerde watervlakte schuimende zich in golven verhief, waarvan de deining tegen het rotsig strand opstoof.—Eindelijk verscheen de walvisch bewegingloos, om niet weder te zinken.—De zee bedaarde, werd effen en kalm, even door het morgenbriesje gerimpeld. Het scheen mij toe, alsof eene krampachtige trillende beweging de geheele zwarte oppervlakte van het logge ligchaam schokte. Al de sloepen naderden nu; een man sprong op het dier, en hechtte er eene lijn aan vast, terwijl de sloepen, ten teeken van de zegepraal, vlaggen, prijkende met de beeldtenissen van heiligen, opstaken. Allen spanden voor om den dooden walvisch naar kaap St Anthonio, alwaar zich eene traankokerij bevond, te boegseren.

Ik haalde mijn bevelhebber over, om naar kaap St. Anthonio te wandelen, en te zien hoe men met den Walvisch verder zoude te werk gaan.

Op het zeestrand komende, was eene talrijke menigte volks bezig, door middel van kaapstanders, het gevaarte, dat bijna op het drooge lag, nog hooger op te winden.

Thans omringd van die wemelende menigte en vergeleken met de grootte van den mensch, verbaasden mij de buitengewone lengte en hoogte van dit reusachtig schepsel, dat bij meting bleek ongeveer 85 voeten lang te zijn, en wij maakten de opmerking, dat het oorlogsvaartuig, waarin wij met een vijftigtal reisgenooten, wind en golven braverende, over den grooten oceaan, tot naar de Oost-Indiën zouden gestevend hebben, slechts eene lengte van 75 voeten had.

Toen de walvisch hoog genoeg op het strand gewonden, en van eene tallooze menigte lansen ontdaan was, toog men met ijver te werk, om het spek af te snijden: ten dien einde klauterden eenige mannen, met groote breede messen, aan lange steelen bevestigd, op het dier, en begonnen het spek van den kop naar den staart in lange roepen tot op het vleesch door te snijden; vervolgens om