Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/286

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 272 —

in het gebergte van Djebel-mézioer geroofd uit het leger der ouden, en daaraan door hem den naam van Hubert gegeven. Met zorg werd het dier, dat zeer aan zijnen meester gehecht was, opgevoed; en één jaar oud zijnde, geschonken aan de menagerie der Jardin des plantes in Parijs. Hubert was toen gehoorzaam aan de oppassers, en scheen wijsgeerig het lot te dragen dat hem op dien vreemden grond beschoren was. Lang daarna kwam gérard weder in Parijs en bezocht zijnen ouden kweekeling. Bij het naderen van het hok floot hij, zonder zich te vertoonen, een favoriet air, bij de parforce jagers algemeen bekend: le chevreuil de Bourgogne. Naauwelijks vernam het dier de welbekende toonen, of het herinnerde zich de melodie, zoo dikwerf van den beminden meester in de wildernis gehoord; werd onrustig en zag naauwelijks het hok geopend of stortte voor zijne voeten, hem allerlei liefkozingen bewijzende, en legde zich eindelijk met gesloten oogen voor hem vertrouwelijk neder, van tijd tot tijd opziende of de teruggevonden vriend nog daar was. Na zijn vertrek werd Hubert zoo wild en onhandelbaar, dat de oppassers gérard verzochten, zijn bezoek te hervatten en het dier tot rust te brengen. Dit geschiedde, en hetzelfde tooneel herhaalde zich. Maar na de terugreize van gérard naar Afrika verviel Hubert in eene stille treurigheid, afgebroken door aanvallen van razernij, en stierf drie maanden later.

Onder de vele verhalen van slagtoffers, die op de jagt of door toeval de prooi van den leeuw geworden zijn en die onuitputtelijke stof opleveren voor het onderhoud rondom het wachtvuur, behoort het volgende. Het is bekend bij elk die Constantine bezocht heeft en onderscheidt zich door het dramatische van het voorval.

Korten tijd vóór dat de stad door de Franschen veroverd werd, was Ahmet-Bey heer dezer sombere rotsvesting, door de soldaten la ville du diable genoemd. Met onverbiddelijke gestrengheid tuchtigde hij elk vergrijp tegen zijne oppermagt, en door zijne wreedheid was hij gevreesd bij al de rooverbenden in den omtrek. Onder de struikroovers, waarvan destijds de gevangenissen vol waren, bevonden zich twee broeders die berucht waren door hunne ongemeene kracht en moed. Zij waren ter dood veroordeeld, en de