Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/303

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 289 —

warming natuurlijk een grooter gebruik van brandstoffen vereischt. De ventilatie gedurende den zomer moet echter geschieden volgens de eerste wijze, namelijk: door het inbrengen van koude versche lucht onder in de kamer, en het wegtrekken der warme vuile lucht boven uit de kamer; terwijl men, om de temperatuur der kamer lager te houden dan die van de buitenlucht, de versche lucht vooraf moet laten strijken over met koud water gevulde buizen, zoo als tegenwoordig geschiedt in de zaal waar de Fransche Academie hare zittingen houdt. Daar men echter des zomers minder genoodzaakt is in geslotene ruimten langeren tijd te vertoeven, zoo reken ik dit weinige genoegzaam over de zomer-ventilatie.

Wij mogen echter van de ventilatie geen afscheid nemen, zonder nog op een paar middelen gewezen te hebben, die in de natuur voortdurend werkzaam zijn, om de hoogst nadeelige gevolgen onzer zorgeloosheid ten opzigte der luchtverversching te verminderen; zij zijn de zoogenaamde diffusie der luchtsoorten en de groote poreusheid der stoffen, waaruit onze woningen zijn vervaardigd. Onder diffusie der luchtsoorten verstaan wij het streven van twee verschillende luchtsoorten, of ook van twee verschillende mengsels van luchtsoorten, om een gelijkmatig mengsel te vormen, waardoor dus de zuivere dampkringslucht de onzuivere steeds verbetert; deze diffusie werkt echter in de meeste gevallen veel te langzaam om evenwigt te kunnen maken met de vroeger door ons aangevoerde bedervende invloeden.

Op de groote poreusheid onzer gebakken steenen, van pleister, van hout enz., heeft in den laatsten tijd een Duitsch scheikundige, pettenkoper, de aandacht gevestigd; ieder kan zich hiervan zeer gemakkelijk overtuigen, door een cylinder te nemen van gebakken steen of van hout (zoowel loodregt als evenwijdig aan de houtvezels gesneden), aan de uiteinden dier cylinders door lak te bevestigen twee gewone pijpen (fig. 7) en vervolgens den cylinder goed met was of lak te bestrijken; wanneer men nu bij a zacht blaast, dan zal men, niet dadelijk maar na korten tijd wanneer de groote wrijving is overwonnen, uit de opening h die men onder water heeft gebragt, de lucht in bellen zien opstijgen, en het zal juist