Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/312

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 298 —

plaats van bladen vervullen. De bloemen zijn vrij groot en vormen eenen tros aan het einde van de bloemsteng; zij hebben even als deze eene vaal gele kleur, gelijk het zand, waarin zij groeijen; somtijds echter is de kleur der bloemen donkerder, en helt meer naar het roode, purpere of bruine over. De planten ontwikkelen een sterken muskusgeur, dien zij, lang nadat zij gedroogd zijn, nog behouden. Van nabij beschouwd hebben de bloemen iets sierlijks; zij zouden tusschen groene bladen geene onaangename vertooning maken; maar hare vale, doffe kleuren en het aanzien der plant, die haar draagt, nemen die enkele schoonheid weg en maken een ongunstigen indruk.—Toen ik voor het eerst de Orobanchen met oplettendheid beschouwde, schenen zij mij daar in de duinen, verworpelingen der schepping, duivelen in het plantenrijk, die boven de aarde eene schoongevormde bloem vertoonen, maar onder dien grond eene arme plant uitzuigen en verstikken: zij waren mij eene donkere bladzijde in het boek der natuur, even als in het boek der menschheid zij, die onder een schoonschijnend aangezigt hunne onteerende handelingen verbergen.

Niet alleen in de duinen vindt men de Orobanchen, maar ook op heidevelden en bouwgronden.—Onder de kultuurplanten rigten zij vaak groote schade aan; vooraf op Vlas- en Hennip-akkers vertoonen zij zich dikwerf in grooten getale, en zijn zij hoogstmoeijelijk uit te roeijen, omdat de bloemstengen afbreken, wanneer men de planten poogt uit den grond te trekken; terwijl de oorspronkelijke wortelstok niet kan uitgegraven worden zonder aanmerkelijke schade voor de wortels der kultuurplanten, waaraan hij is vastgehecht.

Eene andere inlandsche Parasiet is de Lathraea, die tot de familie der Orobanchen behoort, doch in hare wijze van woekeren eenigzins van deze verschilt. De Orobanche vormt eene soort van wortelstok, waaruit worteltjes ontspringen, die gedeeltelijk zich aan de voedende plant hechten, gedeeltelijk in den grond schieten. De Lathraea vormt geen wortelstok maar eene menigte zeer vertakte worteltjes, die door zuigwratjes aan de aangetaste plant verbonden zijn. Zij is hier minder overvloedig dan de Orobanche, en heeft ha-