Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/315

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 301 —

den grond, want de eerste wortel sterft meestal af, terwijl de stengeltjes door hunne zuigwratjes voedsel opnemen ten koste van de hop of het vlas, waarom zij zich geslingerd hebben. Het warkruid windt zich voort van plant tot plant en breidt zich over den akker uit.—Even als de vroeger genoemde woekerplanten heeft het geen bladen; de stengeltjes hangen als een bundel zijden draden om de moederplant, en dragen kleine trosjes van witachtige bloemen, die op heidebloempjes gelijken.—Het warkruid vormt door zijn groei een overgang van de halfzelfstandige tot de onzelfstandige planten, van de slingerplanten tot de Parasieten.

De meest volkomene ontwikkeling in alle deelen en den duidelijksten vorm van parasitisme zien wij bij de Vogellijm of Marentakken (Viscum), die in ons vaderland, vooral in de omstreken van Maastricht en nog menigvuldiger in midden-Europa, op de vrucht- en woudboomen woekert.

Wanneer des winters de meeste boomen van hunne bladen beroofd zijn, en zooals zekere oppervlakkige menschen beweren, op omgekeerde bezems gelijken, dan treft ons hier en daar het zonderlinge schouwspel van een groenenden tak aan een overigens dorren boom.—Veelal is het een appel- of peerenboom, waarop Viscum album
viscum album.
die vertooning plaats heeft, en van verre zou de oppervlakkige denken, dat die bladrijke tak een voortbrengsel van den boom zelf was. Beschouwt men het verschijnsel echter van nabij, dan ziet men spoedig, dat de kleine geelgroene lederachtige blaadjes niets op de gewone bladen van den boom gelijken, en wanneer men den tak af-