Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/374

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 360 —

algemeene bepaling bouwen kan, die alle dieren zonder onderscheid zamenvat en van de planten afzondert. Maar het is even waar, dat diezelfde eigenschappen, zoodra wij de allereenvoudigste diervormen daarlaten, bij alle diersoorten in meerdere of mindere mate worden aangetroffen, terwijl wij daarvan ook bij de meest ontwikkelde plant niets bespeuren, en dat men haar daarom veilig aannemen mag als makende zij gezamenlijk het onderscheidende karakter uit van het dier tegenover de plant.—Naarmate nu een dier die eigenschappen der dierlijkheid in meerdere mate en sterker ontwikkeld bezit, naarmate de natuur er zich meer op schijnt toegelegd te hebben om die eigenschappen bij dat dier meer te doen uitkomen,—naarmate het derhalve daardoor zich scherper van de planten afzondert,—naar die mate is het ook meer dier, of, wanneer wij de gegevene bepaling van "volkomenheid" hier toepassen, naar die mate is het meer een volkomen dier, meer en volkomener dan een ander, dat diezelfde eigenschappen minder bezit, of waarbij de natuur die, om zoo te spreken, minder in bijzonderheden uitgewerkt heeft. Het blijkt nu, welken zin wij aan de uitdrukking van meerdere of mindere volkomenheid behooren te hechten, wanneer ervan dieren sprake is. Elk dier, welk het ook zij, is op zich zelf, en als zelfstandig in de schepping bestaand wezen, even volkomen als alle anderen. Maar ten aanzien van den afstand, op welken het geplaatst is van de planten, en naar gelang het in meerdere of mindere mate die eigenschappen bezit, welke het kenmerkend onderscheid tusschen dieren en planten daarstellen, kan het eenen hoogeren of lageren graad van volkomenheid bezitten. In denzelfden zin spreekt men, zelfs nog veelvuldiger, van hoogere en lagere dier soorten; deze uitdrukkingen duiden eigenlijk hetzelfde aan; meerdere volkomenheid toch sluit eenen voorrang in. Beide wijzen van uitdrukken zijn altijd betrekkelijk; elk dier is volkomener, staat hooger, in vergelijking met die, bij welke de hoofdkenmerken der dierlijkheid zich, al ware 't in ééne enkele bijzonderheid; minder uitvoerig uitgewerkt vertoonen, terwijl het terzelfder tijd in vergelijking van anderen minder volkomen zal wezen, en lager staan zal.

Dat er nu werkelijk zulke onderscheidene graden van volkomen-