Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/386

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 372 —

Slaan wij eindelijk eenen blik op eene tweede klasse van verrigtingen, van die namelijk, welke tot de voortplanting der soort dienen.

Beschouwen wij nu wederom het eerst de allereenvoudigste dieren, dan bemerken wij al spoedig, dat er bij deze in 't geheel geene afscheiding, geene localisatie der verrigtingen plaats schijnt te hebben, want ook de voortplanting is bij hen slechts een verschijnsel der voeding. De meeste Infusoriën toch planten zich voort door eene van zelf ontstaande verdeeling des ligchaams in twee of meer deelen, die, na hunne afscheiding van het moederdier, voortgaan te leven, te groeijen, en weldra op hunne beurt door eene nieuwe verdeeling jongen voortbrengen. Bij enkele Infusoriën b.v. bij de Vorticellen, bij de meeste Polypen, ja zelfs bij eenige hooger staande dieren, geschiedt de voortplanting door knoppen, verhevenheden, die zich ergens op het ligchaam ontwikkelen, en eindelijk dieren worden, die met het moederdier overeen komen.—Intusschen vertoont zich, nevens deze wijze van voortplanting, zeer spoedig eene andere. Bij vele Polypen namelijk, b.v. bij de zoetwaterpolypen, ziet men, niettegenstaande zij zich ook door knoppen voortplanten, op zekere tijden aan het onderste gedeelte des ligchaams, dus op eene bepaalde daartoe bij uitstek aangewezene plaats, zich eitjes ontwikkelen. Deze localisatie der voortteling wint hooger op al meer en meer veld,—maar wij zien de voortbrengende en de vruchtbaarmakende verrigting nog niet aan twee op zich zelf staande stelsels van organen verbonden. Gaan wij echter verder, dan treedt ook deze verdeeling van den arbeid op,—maar doorgaans vinden wij nog de verschillende geslachtsorganen op een en hetzelfde individu vereenigd. Deze tweeslachtigheid is doorgaans, zooals bij Synapta, volkomen—maar soms wordt er eene nieuwe verdeeling van den arbeid ingevoerd, doordien ieder individu wel mannelijk en vrouwelijk tevens is, maar toch de bevruchting geene plaats kan hebben zonder zamenwerking van twee zulke individuen. De tuinslak levert ons van deze inrigting een voorbeeld. Klimmen wij nu nog hooger, dan zien wij eindelijk de verdeeling van den arbeid volkomen geworden, daar de geslachten thans geheel van elkander afgezonderd en op twee individuen verdeeld zijn.