Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/414

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen


 

DE PHYSISCHE GESTELDHEID

DER MAAN.

FRAGMENT EENER VOORLEZING

door wijlen

Dr. A.S. RUEB.

 

 

De middellijn der maan is slechts ruim ¼ der aardmiddellijn, haar inhoud alzoo 50 maal kleiner dan die des aardbols. Hare massa is 81 maal geringer, gevolgelijk hare digtheid slechts ruim de helft (0,61) van die der aarde. De zwaartekracht bedraagt diensvolgens op de maans-oppervlakte 6 maal minder dan bij ons. Jaargetijden kent zij schier niet, want de omwentelingsas is bijna loodregt op het vlak der aardbaan; doch daarentegen zien de maanbewoners (indien zij bestaan) de zon onafgebroken gedurende 14 maal 24 uren, om haar daarna gedurende even zoo langen tijd te derven. Zij moeten dus zulk eene bewerktuiging bezitten dat zij veel grooter hitte en veel grooter koude in veel korter afwisseling kannen verdragen, dan wij hier op aarde ondervinden. Doch nog in andere zeer gewigtige opzigten is de toestand, waarin zij verkeeren, geheel verschillende van dien, in welken wij aardbewoners ons bevinden; want zij missen niet minder dan lucht, water, vuur en geluid, voor ons onontbeerlijke behoeften van ons ligchamelijk leven en geestelijke ontwikkeling: zoodat, indien de maan inderdaad door denkende en gevoelende schepselen bewoond mogt wezen, wij ons geen 't minste denkbeeld kunnen vormen van hun bestaan.

Vraagt gij, met welk regt de sterrekundigen van den toestand onzer naaste geburin een zoo akelig tafereel, althans volgens onze aardsche voorstellingen, ophangen,—het antwoord is dat zij dit alles