Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/417

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 7 —

besluiten uit de plotselinge verdwijning der vaste sterren, welke de maan in haren loop, gedurende korter of langer tijd, doch hoogstens een goed uur, bedekt. Uit deze veelvuldig waargenomene sterrebedekkingen blijkt namelijk, dat de maans-dampkring, zoo hij bestaat, minstens 1000 maal ijler moet wezen dan onze aardsche-, want reeds een slechts iets digtere dampkring zou eene bespeurbare straalbreking moeten bewerken, welke deels eene trapsgewijze verzwakking van het licht der bedekt wordende ster zou veroorzaken, deels vooral den tijdsduur der bedekking merkbaar verlengen. De maan heeft dus geen' dampkring. Maar diensvolgens kan er ook geen water noch eenige andere vloeistof aan hare oppervlakte bestaan, want deze vloeistof zou onmiddellijk verdampen en eene atmospheer vormen, 't geen met de waarnemingen in strijd is. Dewijl voorts de meeste verbrandingen bestaan in eene scheikundige verbinding van luchtsoorten met andere stoffen, zoo kan, in den regel althans, noch vuur noch licht op de maans-oppervlakte onderhouden worden. Eindelijk behoeft het geluid tot zijn ontstaan en voortplanting insgelijks de aanwezigheid eener veerkrachtige gas-vormige vloeistof, en dewijl deze op de maan niet gevonden wordt, zoo zijn ook de stem, het voertuig der gedachten, de toonkunst, de uitdrukking des gevoels, van de maan geheel verbannen. Inderdaad ontwaren wij door onze kijkers op hare oppervlakte ook niets anders dan naakte kale rotsen en bergen, zonder eenigen plantentooi, hoedanige er hier en daar op enkele plekken onzes aardbols gevonden worden instreken, die vroeger door onderaardsch vuur verwoest zijn. In de uitgebrande vulkanen van Auvergne b.v. treft men enkele zulke woestenijen aan, waar mijlen ver plant noch dier gezien wordt.

In vroegere tijden, toen men nog niet tot de overtuiging geraakt was dat op de maan geen water bestaan kan, en men haar, door eene voorbarige toepassing van aardsche analogiën, oceanen toedichtte, heeft men de groote, doorgaans effene, vlakten, die gezamenlijk 25 der ons toegewende helft beslaan, voor zeeën en meeren gehouden, en ze door phantastische benamingen (Mare Serenitatis, Tranquillitatis, Nectaris, Palus putredinis, Oceanus procellarum) onderschei-