Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/424

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 14 —

welke hare beteekenis is in de huishouding der Natuur,—of er meer dergelijke voortbrengselen zijn, die in eenige hoofdopzigten daarmede overeenkomen,—hoe zij verkregen wordt en tot verschillende nuttige doeleinden geschikt gemaakt;—alle vragen, welker belangrijkheid eerst door dengenen regt wordt ingezien, die gewoon is aan de Natuur of aan de wetenschap antwoorden te ontlokken, en bij ondervinding weet, hoe zeer onze belangstelling stijgt, naar mate onze kennis toeneemt.

Welligt zijn er echter onder mijne lezers, die reeds hunne antwoorden gereed hebben, en mij te gemoet voeren: "wij weten het reeds lang, de kurk komt van den kurkeik, zij is de schors van dien boom, die er van tijd tot tijd van wordt afgenomen, gedroogd en later gesneden tot stoppen voor flesschen, zooien, drijvers enz."

Zij, die tevreden zijn met deze oppervlakkige kennis, mogen de volgende bladzijden ongelezen laten; maar voor hen, die gaarne eenen dieperen blik in de natuur werpen, zullen zij welligt dienen kunnen tot bevestiging van hunne overtuiging, dat niets in de natuur geheel op zich zelve staat, maar dat men eerst kan zeggen eene zaak of een verschijnsel grondig te kennen, wanneer men hen in verband beschouwt met andere gelijksoortige zaken en verschijnselen. Tevens zal het uit deze beschouwing ten duidelijkste blijken, hoe de natuur doeltreffendheid weet te paren aan groote eenvoudigheid der gebezigde middelen.

Inderdaad is het er zeer verre af, dat de vorming van kurk, in eene meer algemeene beteekenis van dit woord, alleen eigen zoude zijn aan den reeds genoemden kurkeik. Integendeel, bij tallooze andere planten, bepaaldelijk bij allen, die eenen boomachtigen stam verkrijgen, heeft eene ware kurkvorming plaats. Ook de uitwendige lagen van vele onderaardsche plantendeelen, b.v. de zoogenaamde schillen onzer aardappels, bestaan uit kurkweefsel. Men ziet dus, het geldt hier een verschijnsel, dat geenszins uitsluitend bij eene enkele of eenige weinige planten voorkomt, maar integendeel zulk een, dat zeer algemeen plaats grijpt; en juist die algemeenheid doet ons teregt vermoeden, dat daaraan eene gewigtige beteekenis voor het leven van zeer vele planten moet worden toegekend.