Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/465

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 55 —

worden ter weerzijden van het toekomstig mast-driehoekje (fig. 22 c.) en alzoo de vorm nader wordt bepaald.

Als het sluiten van het nestje zal gebeuren, zijn beide torren geheel buiten hetzelve en houdt het wijfje zich met de pooten vast aan den rand van het blad, en hebben zij eene bijna vertikale rigting aangenomen. Door hun gezamenlijk gewigt helt het nestje nu naar den voorkant over, en is het duidelijk, dat dit het oprigten van het mastje gemakkelijker maakt. Dit liep mij in het oog, toen ik op d. 18 Junij 's avonds ten 8 uren het wijfje alléén bezig vond een mastje te spinnen, hoewel het mannetje ten 4½ uren de nestvorming mede had aangevangen. Nu stond de sluiting van het nestje loodregt en moest het achterlijf meer worden gerekt om het mastje de vereischte hoogte te geven. Het was omstreeks 9 uren voltooid. Doch ik durf de aandacht van mijne lezers niet op meer kleine bijzonderheden van dit kunstgewrocht dier kleine tor vestigen, en eindig met nog aan te teekenen, dat deze arbeid bijna geheel onder water gebeurt en in omstreeks 4 uren, het krommen van het blad medegerekend, gereed wordt. Het leggen der eitjes gebeurt in lucht, hoezeer het wijfje onder water verkeert, want er wordt een buitengewone voorraad lucht, vóór het begin der werkzaamheid, mede genomen en later in de coque ontlast. Zie hierin eene reden te meer voor het opheffen van den achterkant en het duikelen van den voorkant van het nestje bij het spinnen van het mastje.

Het voltooide nestje drijft op het water, zoo als dat vandegroote tor en verschilt er in schikking van de eitjes niet van. Ik vond in eene welgevormde coque minstens 39 en moestens 56 eitjes, die aanvankelijk geel zijn, maar allengs ondoorschijnender en met twee inwendige zwarte strepen, door de ontwikkeling van de hoofdstammen der luchtvaten ontstaande, voorzien worden.

De maskers vertoeven nog in het nest en verteren er ook de doppen hunner eitjes (bl. 47). Zij banen zich eenen uitweg door den bodem van de cocon, nabij de sluiting. Zij zwemmen lustig rond, doch vereenigen zich aanvankelijk gaarne tot kleine hoopjes in het water. Hun zucht tot bemagtigen en verslinden eener prooi openbaart zich spoedig, zoodat, als men hen niet van spijs voorziet,