Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/532

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 122 —

snoek beweerd heeft.

Borstvinnen
chironectes pictus. (borst-vinnen.)
Sommigen hebben tot dit einde bijzonder sterk ontwikkelde borstvinnen, gelijk dit inzonderheid van den Gobius Schlosseri en van verscheidene Chironectus-soorten (zie ook terug op bl. 100), bekend is, die zich als het ware kruipende over den grond of den modder voortbewegen. Het sterkste voorbeeld van dit vermogen evenwel ontmoeten wij bij eene soort van Callicthys in Guyana. Zoodra de plassen, in welke hij leeft, gedurende den droogen of heeten tijd, nagenoeg zijn uitgedroogd, begeeft hij zich,—soms in gezelschap, in troepen,—op reis, om over land nieuwe waterachtige oorden op te zoeken. Vinden zij deze binnen eenige uren niet, zoo graven zij zich diep in den moerassigen grond. Ten einde hierbij tot het verblijf in de lucht in staat te zijn, moest de inrigting hunner kieuwen van de gewone afwijken.

Kieuw-sponsen
anabas scandens. (kieuw-sponsen.)
Deze toch droog wordende, sterft de visch. Om dit te voorkomen, zijn althans sommige dezer visschen voorzien soms van zakvormige, soms van sponsachtige keelgatsbeenderen, met eigenaardige kieuwaanhangsels, in welke eenig water in voorraad kan worden gehouden (de cellules aquifères van edwards.) Voortdurend blijven hierdoor de kieuwplaten bij de genoemde visschen, alsook bij den Anabas scandens en anderen, min of meer vochtig.

 
(Wordt vervolgd.)