Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/545

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 135 —

het bedrog wel niet geheel verdwijnen; maar het maakt het toch minder sprekend. Zijn echter het aangezigt en de oogen te veel naar de eene of de andere zijde gewend, zoo merkt men het schijnbaar naar alle kanten heenzien van het beeld niet meer op. En dit is ook natuurlijk. Ziet men toch iemand juist van voren in het aangezigt, en is zijn oog tevens op ons gevestigd, zoo maakt de neus het middelste gedeelte van het gelaat uit; voorhoofd en kin worden, bij uitbreiding van het vlak dat men zich kan verbeelden midden door den neus te gaan, in twee gelijke deelen verdeeld; de wangen liggen ter wederzijde van dat vlak op gelijke afstanden er van uitgestrekt; de gekleurde ring of iris van het oog neemt ook het midden van den oogbol in, en laat ter regteren linkerzijde evenveel van het wit zigtbaar blijven.

Is iemand nu in zulk eene stelling geportretteerd, dan zullen de oogen van het beeld den aanschouwer overal schijnen te volgen. Immers er doet zich bij onze zijwaartsche verplaatsing, met betrekking tot den geportretteerde en zijne beeldtenis, een groot verschil op. Heeft men namelijk den persoon zelven eerst, op boven omschrevene wijze, voor zich gezien, en houdt deze, bij onze plaatsverandering, hetzij links of regts, het oog en het aangezigt onbewegelijk naar denzelfden kant gewend, zoo schijnt het aangezigt smaller te worden; de neus bedekt meer en meer één der wangen; deze verandering van toestand overtuigt ons, dat de persoon ons niet meer aanziet. Bij het portret echter heeft men een plat doek voor zich; door eene aanzienlijke zijdelingsche plaatsverandering zal ook wel de breedte van het gezigt sterk verminderd schijnen, maar die versmalling zal zich over al de deelen van het gelaat gelijkelijk uitstrekken, en de betrekkelijke ligging dier deelen zal niet in het minste veranderd schijnen; bedekking van het eene ligchaamsdeel door het andere kan onmogelijk plaats grijpen; de neus zal nog altijd het juiste midden van het aangezigt uitmaken; de gekleurde ring van het oog zal het wit gelijkelijk blijven verdeden; het zal derhalve even eens zijn, of het portret het lioofd naar ons heeft omgedraaid; de uitdrukking zal niet in 't minst veranderd wezen. Ziedaar eene, onzes inziens, overtuigende en