Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/566

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 156 —

Vermengt men 1 pond water van 0° met eene gelijke hoeveelheid water van 75°, dan verkrijgt men een mengsel van 37,5° warmte. De helft der warmte, die het water van 75° bezat, is dus overgegaan op het koude water van 0°, waardoor men 2 pond water van 37,5° heeft verkregen. Doch neemt men nu 1 pond ijs of sneeuw van 0°, en vermengt men dit met 1 pond water van 75°, dan zal de warmtegraad van het gesmolten mengsel niet 37°, maar insgelijks, even als het ijs, 0° zijn. En wat blijkt nu hieruit? Hieruit ziet men duidelijk, dat die hoeveelheid warmte van 75°, die noodig was om ijs van 0° in water van 0° te doen overgaan, in het smeltende ijs is overgebragt. Deze warmte heeft enkel en alleen gediend om het ijs te doen smelten, het ijs heeft haar opgenomen; de thermometer geeft die warmte niet aan; deze, in smeltend ijs gedompeld, gaat dan eerst rijzen, wanneer al het ijs is gesmolten, een bewijs, dat de verder toegevoerde warmte eerst na de smelting merkbaar wordt, dat zij dan eerst vrij blijft en niet meer wordt vastgelegd.

Wij hebben straks reeds aangemerkt, dat die gebondene warmte bij het bevriezen weder vrij wordt, en hebben toen gezien welk eene nuttigheid zij daarbij aanbrengt. Niet minder is dit het geval bij het smelten van het ijs, zooals ik thans zal trachten aan te toonen.

Het is overbekend, dat rivieren en stroomen uit de bergen hunnen oorsprong nemen, dat zij, door smeltend ijs en sneeuw gevoed, die de toppen dier bergen bedekken, van nietige beken zooals zij in den aanvang waren, weldra tot groote, breede stroomen worden. Deze massa's sneeuw en ijs nu, gaan, door de groote hoeveelheid warmte, die zij noodig hebben om tot water te worden, slechts langzaam daartoe over. Immers wij hebben het uit het straks aangehaalde voorbeeld gezien, dat de warmte-hoeveelheid, die noodig is om de temperatuur van 1 pond water één graad te verhoogen, de warmte-hoeveelheid dus, die bij de smelting van 1 pond ijs of sneeuw wordt gebonden, 75° zal zijn. Zal er nu niet zeer veel warmte aan de omringende lucht moeten ontnomen worden, om die massa's sneeuw en ijs tot water te doen overgaan, en vloeit hier niet van zelve uit voort, dat het ontdooijen daarvan langzaam en trapsgewijze moet geschieden? Zoo ook is het gelegen met het