Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/568

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 158 —

zonder vast te worden beneden het vriespunt kan worden verkoeld, en dat de aldus sterk verkoelde waterdeeltjes dadelijk bevriezen, wanneer zij, door den stroom des waters naar beneden gevoerd, met de vaste deelen van den bodem in aanraking komen. Twee daadzaken dezer theorie zijn onwedersprekelijk waar: de eene is, dat het water kan worden verkoeld beneden het vriespunt, en de tweede, dat deze verkoelde waterdeeltjes, bij aanraking met vaste ligchamen, dadelijk tot ijs kunnen overgaan. Beide hebben wij vroeger reeds doen opmerken. Maar minder duidelijk mag het geacht worden, dat die verkoelde waterdeeltjes, door den stroom in beweging gebragt, zoo lang vloeibaar kunnen blijven, voordat zij bevriezen, daar zij anders bij de geringste schudding dadelijk in ijs veranderen. De vermoedelijkste opheldering, die daarvan kan gegeven worden, zoude gelegen moeten zijn in de groote en gelijkmatige snelheid, waarmede de gezegde waterdeeltjes door den stroom worden medegesleept, waardoor zij, als het ware, geen tijd verkrijgen om eene kristalvormige gedaante aan te nemen, voordat zij, door eene onmiddelijke aanraking van den bodem of van vaste ligchamen eene aan eenen schok gelijkende beweging verkrijgende, daartoe worden in staat gesteld. Voor deze meening zoude kunnen pleiten, dat het grondijs nimmer in stil staande of zich zacht bewegende wateren ontstaat, maar altijd in snel stroomende rivieren, waar de snelle nederdaling der verkoelde waterdeeltjes door de medeslepende kracht des strooms kan plaats vinden.

Tot de verhevenste verschijnselen der natuur behoort met regt de ijsvorming in de Poolzeeën. De ijsmassa's, die aan de kusten van Spitsbergen en Groenland gevonden worden, zijn dikwijls 6 tot 8 el dik; zij vormen zeer groote vlakten, wier grenzen men dikwijls uit de hoogste toppen der masten niet kan waarnemen; dit zijn de zoogenoemde ijsvelden, wier oppervlakte menigmaal 300 tot 400 vierk. mijlen bedraagt. Somtijds is de oppervlakte dezer ijsvelden effen, dikwijls echter ook ongelijk, en in groote schotsen gebroken. Veeltijds ziet men 8 tot 10 el hooge verhevenheden, aan torens gelijk, die eenen ijzingwekkenden aanblik hebben, terwijl zij nn eens