Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/570

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 160 —

verre wij nog geene gelegenheid hebben gehad, om daarvan in de voorgaande bladzijden te gewagen.

Tot de reeds genoemde physische eigenschappen behooren de kristalliseerbaarheid van het ijs, zijn glans en hardheid; doch de eigenschap, waarop ik hier meer bepaald wilde wijzen, is de groote taaiheid, die het ijs wel is waar met vele andere ligchamen gemeen heeft, maar die bij eene vastgewordene vloeistof, zoo als het ijs, inderdaad opmerkelijk is. Velen hebben het toch met mij ondervonden, dat ijs van 1 Ned. duim dik niet alleen zeer goed eenen aanmerkelijken last konde dragen, maar dat het zelfs onder dien last zich boog, ja onder het voortgaan in eene eenigzins golvende beweging geraakte, zonder te breken. Dat het ijs hierbij niet breekt, moet wel gedeeltelijk daaraan geweten worden, dat het water het ijs tot steun verstrekt, doch juist de golvende beweging toont aan, dat het ijs zonder taai te zijn, die beweging niet konde doorstaan. Bij iedere beweging immers, hoe gering ook, die het ijs ondergaat, zoude het onfeilbaar moeten afbreken, wanneer de ijsdeeltjes onderling niet met groote vastheid aan elkander hingen. Behalve deze, hebben ook andere proeven de taaiheid van het ijs voldoende bewezen.—Een stuk ijs, van 3 el lang, 27 duim breed en nagenoeg 11 duim dik, dat met het eene einde aan een groot ijsblok vast zat, konde aan het tegenovergestelde einde een gewigt van ruim 12 pond dragen, zonder te breken.