Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/572

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 162 —

den staart tegen een naburig rotsblok of ander vast punt, krommen zich met kracht, en ontspannen den gemaakten boog in pijlsnelle vaart. De grootte van den sprong schatte twiss soms op 4 à 5 ellen hoogte en 6 à 7 ellen lengte.

Veel beter echter kunnen enkele vischsoorten zich met hunne vleugel vormige borstvinnen, voor eenige oogenblikken, totdat deze droog zijn geworden, boven den waterspiegel verheffen. Omtrent dezen, de overbekende vliegende visschen (de "poissons oiseaux" van oken) (blz. 100), merk ik alleen op, dat men gewoon is te spreken van "den vliegenden visch," als of het vliegen slechts aan ééiie vischsoort eigen ware. Dit denkbeeld is onjuist; er bestaan verscheidene en zelfs overigens zeer verschillende visch-soorten, die tot vliegen in staat zijn (uit de geslachten Dactylopterus, Exocoetus, Pegasus, Pteroës, Scorpaena, Trigla, enz). Ofschoon sommige dezer soorten slechts enkele meters ver kunnen vliegen, zouden er andere zijn, die tot 30 Ned. ellen in de lucht kunnen afleggen. Tot loopen, springen en vliegen is de bewegings-verscheidenheid van de visschen buiten het water nog niet eens beperkt. Men spreekt ook van klimmende visschen. Forellen zijn in staat om tegen steile hoogten al zwemmende op te klimmen. De Salarias alticus zou zelfs, van rotsblok op rotsblok, zijdelings over watervallen vermogen heen te kleuteren. Meer in het bijzonder nogtans wordt dit vermogen (hoewel door sommigen bestreden) toegekend aan eene Anabas-soort, die daaraan den bijnaam van "de klimmer" (A. scandens) te danken heeft. Dalborff en JOHN willen hebben gezien, dat dit Oost-Indische vischje de palmboomen aan de rivier-oevers beklimt, om het regenwater in de palmbladen op te zoeken, en zulks somtijds ter hoogte van 1,5 À 2 ellen. Tot dit kunststuk bedienen zij zich vooreerst van hunne gedoomde of puntige kieuwdeksels, waarmede zij zich omhoog trekken; en in de tweede plaats van hunne staart-stekels, met welke zij zich vasthouden.

De grootste kracht en spoed evenwel ontwikkelen de visschen in hun eigen element. Zoo is het genoeg uit de scheeps-journalen bekend, hoe haaijen, thonijnen of andere visschen soms dagen lang, zelfs bij snelle vanrt der zeeschepen, deze vermogen bij te houden. Men wil op