Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/583

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 173 —

in zwang. Onder haar,... doch ik mag niet te zeer uitvoerig worden, daar mijn opstel toch reeds ongevoelig eene groote uitbrei- ding verkreeg ; — ik verwijs u dus liever ten voorbeelde op eenige schoone beschrijvingen van voorname visscherijen, die in den laatsten tijd, zoo in dit Album, als in het Pantheon werden opgenomen, zoo als van Prof. van der hoeven over de haringvangst, van Dr. l. mulder over de steurvangst aan den Reval en de Wolga , van Dr. van geuns over de thonijn-visscherij in de Middellandsche zee.

Waar de vischvangst afneemt, droogt alzoo eene voorname bron der volkswelvaart op. Voor Frankrijk vind ik zelfs opgeteekend, dat deze, in bepaalde Departementen, in 20 jaren (van 1830 tot 1850) niet minder dan 16 millioen franken in waarde was gedaald ! Het zal dus niet bevreemden , dat men vooral daar te lande de vischfokkerij (piscicultuur) der ouden, doch thans meer op weten- schappelijken grondslag, zoo ijverig voorstaat. Doch ook over dit onderwerp mag ik gerustelijk verwijzen naar de leerzame beschrij- vingen , daarvan reeds door Prof. harting (die zich thans ook prak- tisch met dit onderwerp bezig houdt en daarover eene mededeeling aan de koninklijke Akademie van wetenschappen heeft gedaan) — zoo afzonderlijk als in dit Album der Natuur gegeven. Alleen zij het mij vergund daar bij te voegen, dat later nog onderscheidene verbe- teringen in de kunstmatige vischteelt zijn gebragt. Ten voor- beelde hiervan herinner ik aan de jongste nasporingen van de QUATREFAGEs, waardoor het hem gelukt is ééne der voornaamste oorzaken op te sporen, die vroeger de kunstmatige bevruchtiging dikwijls deden mislukken. Dit mislukken namelijk is ten deele toe te schrijven aan den uiterst teederen aard der zoogenaamde spermatozoïden bij de visschen. Deze orgaantjes, — voor het uitbroe- den der kuit van zoo hooge en onmisbare beteekenis, — vond quatrefages van eenen veel korteren levensduur, dan bij de meeste andere dierklassen. Voor zoo verre hij dit bij 5 vischsoorten heeft onderzocht, behielden deze hun bewegings- en bevruchtigings-ver- mogen van slechts 2½ tot hoogstens 8 minuten. Bij den barbeel en den baars gingen zij soms reeds na 1 minuut verloren. Door grooteren spoed in de kunstmatige bevruchtiging heeft men