Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/644

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 234 —

stand hebben trachten te bepalen , het ook dan niet geheel eens of deze zeven, negen of veertien mijlen bedraagt. Deze begrensdheid des dampkrings laat zich trouwens op eene zeer eenvoudige wijze verklaren , — gelijk reeds voor vele jaren door wollaston is ge- daan, — uit het overwigt der aantrekking van de binnen den damp- kring bevatte aarde, op de onderlinge afstooting der deeltjes van het gas, waardoor deze streven om zich van elkander te verwijderen. Heeft deze verwijdering eene zekere grens bereikt, dan wordt elke verdere uitzetting belet door de in tegengestelde rigting wer- kende kracht, die van al de onder gelegen stofdeelen uitgaat.

Wat nu van de aarde en van den haar omgevenden dampkring geldt, geldt mede van elke groote enkel uit gas bestaande massa, die zich in eene volkomen ijle of ledige ruimte bevindt, welke ner- gens beperkt is. Vooreerst zal die massa, zoolang er geene rond- draaijende beweging daarin bestaat , eenen bolvorm moeten aannemen, omdat alle de deelen worden aangetrokken in de rigting van het gemeenschappelijk zwaartepunt. Maar ten tweede zullen alle de stof- deelen , waaruit de gasbol is zamengesteld , gezamenlijk denzelfden invloed uitoefenen op die der buitenste lagen , als de aarde en de binnenste lagen des dampkrings op de buitenste lagen van dezen. Aantrekkingskracht toch is de eigenschap van alle stof, onverschil- lig of deze vast, vloeibaar of gasvormig is. Het noodzakelijk gevolg hiervan is, dat indien al de stof, waaruit thans de hemelbollen be- staan , zich in gasvormigen toestand bevond in de onbeperkte ruimte des heelals, dit gas zich ook om een of meerdere middelpunten van aantrekking zoude verzamelen, zonder zich aan alle zijden voortdurend uit te breiden.

Daar wij volstrekt onbekend zijn met den uitersten graad van verdunning of verijling, die een gas onder de zoo even genoemde omstandigheden bereiken kan, zoo laat zich ook niets met waar- schijnlijkheid zeggen aangaande de vraag, of alle hemelligchamen kun- nen ontstaan zijn uit een' enkelen oorspronkelijken gasbol die zich vervolgens in meerderen splitste, of wel dat men moet aannemen, dat er van den beginne af een groot aantal van zulke gasbellen door het heelal verspreid waren.