Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/651

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 241 —

Niet te ontkennen is het evenwel , dat de digtheden der afzon- derlijke planeten geenszins juist zoo geregeld toe- of afnemen als men bij eene eenvoudige bezinking, — men vergeve mij dit woord, — na voorafgegane verdigting, zoude meenen te mogen verwachten. De digtheid toch van Neptunus is iets grooter dan die van Uranus, en die van dezen wederom iets grooter dan die van Saturnus, ter- wijl Venus eene iets geringere digtheid dan de aarde heeft. Ook beantwoordt onder de wachters der planeten alleen onze eigene maan aan den gestelden regel, daar hare digtheid 0,619 van die der aarde bedraagt, dat is 3,367 maal de digtheid van water. Onder de Jupitersmanen heeft slechts de eerste eene geringere digtheid dan de hoofdplaneet zelve; de drie overige overtreden deze daaren- tegen in digtheid. In verhouding tot water zijn de digtheden na- melijk :

1ste Maan   1,09.
2de Maan 2,01.
3de Maan 1,73.
4de Maan 1,36.

Eindelijk schijnt ook het ringenstelsel van Saturnus eene afwij- king van den regel op te leveren, daar vermoedelijk de binnenste doorschijnende ring uit eene minder digte stof bestaat dan de overi- ge meer buitenwaarts gelegene, welke het zonlicht sterker terug- kaatsen. Met zekerheid mag men dit echter nog geenszins aanne- men, zoolang het niet aan de sterrekunde gelukt is de digtheid der afzonderlijke deelen van dit ringenstelsel door op de waarne- mingen gegronde berekening te bepalen, iets waartoe voor alsnog weinig hoop bestaat, daar men tot hiertoe niet eens de digtheid van alle de ringen gezamenlijk, maar alleen hunne massa kent, die volgens bessel 1118 van die der planeet zelve bedraagt.

Doch ook al toegegeven, dat er verscheidene uitzonderingen be- staan op den regel, dat in ons planetenstelsel de ligchamen die de grootste digtheid bezitten, het meest nabij de middelpunten van aantrekking gelegen zijn, zoo zoude men echter te ver gaan, indien men op grond daarvan dien regel geheel wilde ontkennen en, uit hoofde der onvolkomene overeenstemming met de schijnbare eischen