Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/699

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen


 

IETS AANGAANDE DEN HARMONISCHEN OVERGANG

VAN HET

PLANTEN- TOT HET DIERENRIJK.

DOOR

Q.M.R. VER HUELL.

 

 

Wanneer men de natuur in haar geheel overziet, hoe treft'end is dan niet die eenheid in de verscheidenheid der verschijnselen, die harmonie tusschen dingen, ongelijk aan elkander door hare vormen, hare eigendommelijke zamenstelling, door de krachten waardoor zij bezield worden. Hoe is het geheel vervuld van den ademtogt des levens !

Als men zoo, met den grooten von humboldt, de natuur, in den ruimsten zin genomen voor al het geschapene, beschouwt, dan is die eenheid in de verscheidenheid gelijk aan eene oneindige keten, waarvan de schakels, met steeds toenemende ontwikkeling, al meer en meer harmonisch in elkander sluiten, en dan zweeft u de verhevene gedachte voor den geest, dat zich alles vereenigt in één volmaakt geheel, in God!

Over een onderwerp, zoo rijk in bespiegelingen, uit te weiden, liat buiten ons bestek. Het bestaan dezer harmonie zal echter genoegzaam blijken, wanneer wij ons bepalen tot de mededeeling van eenige voorbeelden ten betooge, dat, hoe groote verschillen er ook tusschen planten en dieren mogen bestaan, beide natuurrijken toch menigvuldige punten van aanraking hebben, zoodat zij als het ware harmonisch in elkander vloeijen.

Het regelmatig bewegen der bladeren van Hedisarum gyrans; het plotseling ter neder slaan der bladeren van Mimosa pudica, het kruidje-roer-mij-niet; het vliegen en insecten vangen door de