Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/723

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 313 —

gemeenschappelijke grondoorzaak hebben moest. Hij dacht aan eene aantrekkende kracht, die de zon op de planeten kon uitoefenen, maar de toenmalige staat der wiskunde liet hem niet toe, de ge- volgen van zulk eene kracht aan de berekening te onderwerpen. Het denkbeeld van zulk eene kracht rees ook bij anderen op, en werd meer algemeen, nadat onze christiaan huijgens de reeds ontluikende kennis van de wetten der beweging door schitterende ontdekkingen aanmerkelijk had uitgebreid, en eindelijk verdween de nevel, die het groot geheim der schepping, de grondoorzaak van de beweging der hemellichten , voor den menschelijken geest verborgen had.

Op het einde der zeventiende eeuw werd door den onsterfelijken newton, uit eenvoudige natuurverschijnselen, die door millioe- nen waren opgemerkt, maar eerst door hem rijpelijk werden over- wogen, het bestaan afgeleid van eene eigenschap der stof, die den naam van algemeene aantrekkingskracht heeft ontvangen , met welke ook de kleinste ligchaampjes zijn toegerust, en wier vermogen zich vooral bij de groote ligchamen van het zonnestelsel moest openbaren. Newton ontdekte , dat de algemeene aantrekkingskracht aan drie eenvoudige wetten gebonden is, en de ontwikkeling, die hij zelf aan de wiskunde wist te geven, stelde hem in staat om de eerste uitwerkingen te bepalen , welke deze kracht in het zon- nestelsel hebben moest. Toen bleek het, dat de wetten van keppler de eerste, eenvoudigste en noodwendigste gevolgen zijn van de aantrekkingskracht, die door de zon op de planeten wordt uitge- oefend, en het bleek tevens, dat het bestaan van die kracht, met hare eigenschappen, zich, uit de wetten van keppler, op eene wiskundige wijze liet betoogen. Toen bleek het dat elke planeet zich volkomen naar de wetten van keppler zoude bewegen, in- dien zij met de zon alleen bestond, en dat de aantrekking, die de planeten en hare wachters op elkander en op de zon uitoefenen, eene onuitputtelijke bron van onregelmatigheden in hare beweging en van veranderingen in het geheele zonnestelsel wezen moest. De eb en vloed der zee en de onregelmatigheden in de beweging der maan, die gedeeltelijk reeds door hipparchus waren opgemerkt,