Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/732

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 322 —

overtuigende wijze, door die verschijnselen, aangetoond, inaar liet is niet onnatuurlijk, dat veler verstand beneveld werd, door de noodzakelijkheid, om, bij het omhelzen van het stelsel van coper- Nicus, alles wat men van kindsbeen af omtrent den hoogen rang der aarde en hare betrekking tot het heelal zoo vastelijk had ge- loofd, op te geven, en aan te nemen wat, naar de onmiddellijke gewaarwording der zinnen , geheel anders wezen moest. De sterre- kunde had echter nog geene nieuwe gronden voor de beweging der aarde ontdekt, toen het stelsel van copernicus reeds door na- genoeg al hare beoefenaars als eene waarheid was aangenomen, en vermoedelijk zoude geen van hen ooit aan die waarheid hebben getwijfeld, indien hij slechts één der talrijke verschijnselen had gekend, in welke wij nu de beweging der aarde aan den hemel lezen. Nu wij de uiterst zamengestelde beweging der aarde, in al hare bijzonderheden en grondoorzaken, met eene zoo bewonderens- waardige juistheid kennen, kan ook alleen de dwaze onkunde zich met de betuiging vermaken , dat de aarde volstrekt onbewegelijk is , en ware zij te verontschuldigen wegens het wonderbaarlijke, dat de domheid in de beweging der aarde moet vinden, dan zoude men ook een' eindeloozen strijd der dwaasheid tegen alle uitspra- ken der sterrekunde moeten gedoogen. De sterrekunde heeft veel opgeleverd, dat zelfs den verstandigen wonderbaarlijk schijnen moet, en zijn hare beoefenaars omtrent de zekerheid, ook van hare treffend- ste uitspraken , gerust , hetgeen zij leert is soms zoo vreemd , dat men de verstandige onkunde wel eenigen twijfel daaromtrent kan ten goede houden, iïet wonderbaarlijkste van alles wat de sterrekunde ter opmerking aanbiedt, is zekerlijk haar vermogen, om de eindelooze reeks van verschijnselen , wier bespiegeling haar hoofddoel is , uit één enkel en zeer eenvoudig beginsel af te leiden. Dat beginsel is de grondslag waarop de geheele sterrekunde rust, met hetwelk zij staan en vallen moet, en dat, eenmaal eene onbetwijfelbare waar- heid geworden, aan de uitspraken der sterrekunde, hoe vreemd die klinken mogen, eene wiskundige zekerheid moet geven. Eene vraag, die wel niet bij hem zal oprijzen, die de sterrekunde beoefend heeft, maar die veel natuurlijker en bij den onkundigen veeleer te