Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/755

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 345 —

wegen. Zijne beweging wordt nu door de aantrekkingskracht be- streden en wel sterker, naar mate de draad een' schuinscher stand heeft ingenomen. Op dezelfde wijze als de snelheid, bij het neder- dalen, werd vergroot, wordt zij nu, onder het opstijgen, vermin- derd en zij is door de aantrekking der aarde geheel vernietigd, wanneer het gewigt tot eene hoogte is gestegen , zoo groot als die van waar het nederdaalde. In dien stand blijft het gewigt een oogenblik in rust, maar omdat het altijd de aantrekkingskracht der aarde blijft ondervinden, moet het onmiddellijk, nadat zijne beweging is vernietigd, weder nederdalen, op volkomen dezelfde wijze, als dit oorspronkelijk, aan de andere zijde van de loodlijn , het geval was. Bij het nederdalen moet de draad noodwendig weder den loodregten stand hernemen , en daarbij moet het gewigt weder zijne grootste snelheid verkrijgen, om vervolgens op te stijgen, tot dat het de hoogte weder bereikt, van welke het oorspronkelijk ne- derdaalde. Van daar daalt het gewigt andermaal neder en het vol- brengt regelmatige schommelingen, in tijdvakken, die door de lengte des slingers en het vermogen van de aantrekkingskracht der aarde worden bepaald.

Alle stoffelijke ligchamen bezitten eene eigenschap, die den naam van inertie of traagheid draagt, en volgens welke zij, in den staat van rust of van beweging waarin zij verkeeren , moeten volharden , tot dat zij, door deze of gene kracht, in die rust of beweging worden gestoord. Een voortgeworpen ligchaam zoude daarom altijd, met dezelfde snelheid en in dezelfde rigting, voortgaan, indien daarop nimmer eene kracht werkte, buiten den schok of stoot, die het in beweging bragt. Een slinger zoude ook altijd in zijne schom- melingen volharden, en een volkomen perpetuum mobile zijn, in- dien hij volstrekt geene kracht dan de aantrekking der aarde on- dervond. Het gewigt van den slinger moet echter, met den draad, gestadig de lucht doorklieven, en ondervindt daardoor eenen te- genstand, die het in zijne beweging belemmert. Bij het heen en weder schommelen van den slinger, moet de draad, aan welken het gewigt hangt, gestadig worden omgebogen, en hoe gering de daar- toe noodige kracht moge zijn, ook zij moet noodwendig het gewigt