Pagina:Album der Natuur 1856 en 1857.djvu/604

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
178
DE TELEGRAPHISCHE VERBINDING

Wij willen nu kortelijk aanwijzen hoedanig de peilingen werden tot stand gebragt.

De peiltoestel bestond uit eene lange, rood koperen, ronde staaf; aan het ondereinde van deze bevond zich eene soort van spoel of schoen, waarin de fragmenten van den zeegrond zich bij het zinken op den bodem konden afzonderen; aan haar boveneind waren, door middel eener horizontale as, twee haken, in den vorm van tuimelaars gehecht, die om deze as in een vertikale rigting konden draaijen; van elk dier haken ging een dun koord uit; beide deze koorden vereenigden zich, iets hooger op, in de enkele dieplood-lijn. Op eenigen afstand van de haken was, op zijde tegen de staaf, een drukkingsmeter of register bevestigd, welk werktuig door een wijzer de diepte konde aangeven, waarop het lood den bodem bereikte. Het dieplood zelf, dat eene zeer langwerpige gedaante had, bezat over de geheele lengte eene cilindervormige opening, waardoor het op de genoemde koperen staaf kon geschoven worden, tot op een' kleinen afstand onder den vermelden toestel of het register. Het lood werd op de staaf gedragen door eene cirkelvormige plaat, waarin eene ronde opening was gemaakt, groot genoeg om de koperen staaf door te laten; alzoo kon de plaat tot tegen de benedenzijde van het lood worden gebragt; maar op deze wijze zou de plaat, en met het op haar rustende lood van de staaf afglijden; ten einde dit te voorkomen, waren er aan de plaat twee koorden vastgemaakt, die met lissen aan de boven aan de staaf gevoegde haken werden gehangen. Hierdoor droegen deze bewegelijke haken de plaat en het lood, en draaiden zij nu om de reeds genoemde as benedenwaarts, zoo vielen de lissen er af, en plaat en lood schoven van de staaf; welke omstandigheid men juist wenschte te doen plaats grijpen, omdat de ondervinding geleerd had, dat men anders groot gevaar liep, dat bij het ophalen de lijn afbrak. Daarna konden dan alleen staaf, spoel en register, door de lijn naar boven worden gehaald.

Nadat het schip nu, voor zoover dit mogelijk was, in eene rustige stelling was gebragt, liet men het lood met de dieploodlijn, die zich snel van een groot rad afwond, en over een aan de fokkerâ gehecht katrol, in de zee afloopen. De snelheid, waarmede dit geschiedde, was niet eenparig; in den beginne was zij zeer groot,