Pagina:Album der Natuur 1856 en 1857.djvu/617

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
191
OVER DEN BAARS

tinnen vischje maken van drie duim lang en van gedaante als een kleine brasem of blei. Aan beide zijden wordt een gewone stalen vischhaak vastgehecht en het vischje met de rugvin, aan een snoer of draad, horizontaal opgehangen. Men neemt nu eene korte hengelroede, en bevestigt aan het eene uiteinde het ongeveer vijf voet lange koord. De visscher gaat in een schuitje, zoekt eene plek uit waar de bodem van het water vast, dat is, niet slijkerig is, legt zijn schuitje vast aan eenen stok en werpt het tinnen vischje over boord. Door zijne zwaarte zakt het op den grond en zoodra het daar is haalt hij het snel terug naar boven en in het schuitje. Dit vallen in het water van het nagemaakte vischje lokt den baars, die, meenende eenen waren visch te zien, toeschiet zoodra het voorwerp wordt opgehaald, en tracht het te vangen; door de zijdelingsche haken nu wordt hij gegrepen en zoo in het schuitje geslingerd. Het is geene zeldzaamheid op die wijze somtijds twee baarzen te gelijkertijd te vangen; de bezigheid is niet vervelend, en als men gelukkig genoeg is eene plaats te treffen waar zich veel baars ophoudt, gaat de vangst vlugger dan op de gewone wijze met den hengel, te meer nog daar men op deze wijze baars kan vangen in jaargetijden (herfst en winter) in welke gewoonlijk de baars niet aan den hengel komt.