Pagina:Album der Natuur 1856 en 1857.djvu/84

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

EENE KRAAMVISITE BIJ EEN AAP.

 

 

Boitard (Le Jardin des plantes; description et moeurs des mammiferes de la Ménagerie du Muséum d'histoire naturelle, p. 40.) deelt het volgende zonderlinge voorval mede, waarvan hij ooggetuige was.

"Een wijfjes-baviaan (Cynocephalus Sphinx), op het punt zijnde van te jongen, werd in een hok gebragt, dat grensde aan datgene waarin zij tot daartoe met haar mannetje en vijf of zes apen van dezelfde soort geleefd had. Zij beviel van een zeer leelijk jong, maar dat zij met teederheid beminde, en waarvoor zij groote zorg droeg. Acht of tien dagen na de geboorte van haar kind opende men de schuifdeur, waardoor de beide hokken gemeenschap hadden, en haar mannetje trad binnen. Zij hield het jong op hare armen, even als eene moeder of min zoude doen, en zat midden in het hok. Het mannetje naderde, kuste zijn wijfje op beide wangen, vervolgens het jong, dat zij hem aanbood, en ging vlak tegenover haar zitten, in dier voege, dat zij hare knieën tusschen de zijne had. Toen begonnen beiden de lippen snel te bewegen, elkander aanziende en van tijd tot tijd het jong liefkozende, dat zij den vader in de armen gaf, maar dadelijk weder terug nam; men zoude zeggen dat zij er een zeer levendig gesprek over voerden. Men opende daarop op nieuw de schuif en liet ook de overige bavianen de een na den ander binnen treden. Ieder op zijn beurt ging het wijfje een kus geven, maar zij stond aan niemand de gunst toe, welke de vader alleen genoot, van het jong te kussen en te liefkozen door met de hand over den rug te strijken. Zij gingen in eenen kring rondom de kraamvrouw zitten, en allen begonnen om het hardst