Pagina:Album der Natuur 1858 en 1859.djvu/349

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

DE BOSSCHEN EN HUN INVLOED OP
DEN TOESTAND DES LANDS,

DOOR

N.W.P. RAUWENHOFF.

 

 

Wanneer men de natuurlijke geschiedenis eener landstreek schrijft, dan noemt men de soorten van planten en dieren op, welke den bodem bevolken; men bepaalt naauwkeurig, hoever ten noorden of ten zuiden van den evenaar bepaalde planten zich uitbreiden, hoe hoog zij tegen de bergtoppen opklimmen.

De gevonden grenzen in onderscheiden streken worden op de kaart door lijnen vereenigd, en men verkrijgt alzoo gordels, waarbinnen het voorkomen van eiken en beuken, van tarwe en gerst enz. begrensd is. Zoo men verder den loop dier grenslijnen naauwkeurig nagaat, en hiermede het klimaat vergelijkt van de plaatsen, welke zij doorsnijden, dan blijkt daaruit, hoe de genoemde gordels ons met een oogopslag eene der gewigtigste voorwaarden van den plantengroei doen kennen. Hun loop wordt namelijk grootendeels bepaald door de hoeveelheid warmte en licht, welke de onderscheidene gewassen tot hunne ontwikkeling behoeven, en welke niet overal op aarde op gelijke breedte te vinden is.

Gelijk men de grensplaatsen op de kaart opteekent en vereenigt, zoo kan men ook de punten, alwaar een bepaald gewas in overwegend groote hoeveelheid voorkomt, door bijzondere teekens op de wereldkaart onderscheiden.

Door al deze kenmerken in zijne gedachte te verbinden, kan men zich een beeld vormen van het karakter van het plantenkleed, dat eene