Pagina:Architectura vol 005 no 032.djvu/3

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
7 Augustus 1897.
149
ARCHITECTURA.


voor te bereiden; 2o. te ontwerpen en aan de afdeelingen ter beoordeeling toe te zenden een model-verrekeningsstaat, welke bij het werk zal worden gebruikt.
Op voorstel van een der afgevaardigden van de afdeeling rotterdam werd alsnog in beginsel aangenomen de afdeelingen op te dragen om elk voor zich concept-administratieve bepalingen te ontwerpen, en daarbij als model te nemen de A. V. van Waterstaat 1895, welke concepten in een afzonderlijke vergadering van afgevaardigden en Bondsbestuur zullen worden behandeld, om alle later in eene algemeene vergadering te bespreken.

g. Van de afdeeling rotterdam.
Zoude het niet wenschelijk zijn den Minister van Binnenlandsche Zaken te verzoeken, op alle werken, uitgevoerd onder beheer van zijn departement, de A. V. van Waterstaat, Handel en Nijverheid van 1895 van toepassing te verklaren?

Praeadvies.
Het bondsbestuur meent het doen van zoodanig verzoek ten sterkste te moeten ontraden, en wel omdat, — waar de Nederlandsche Aannemersbond nog zeer onlangs aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft verzonden een adres, waarin nogmaals de aandacht van dat college wordt gevestigd op de noodzakelijkheid van verkrijging van betere en uniforme A. V. voor alle departementen, de kracht van dit adres zoude worden verzwakt, indien thans bij één departement op toepassing der A. V. van Waterstaat in 1895 zoude worden aangedrongen.
De vergadering vereenigde zich in deze met het prae-advies van het hoofdbestuur.

Uit dit beknopte overzicht blijkt voldoende, hoe de Ned. Aannemersbond krachtig en zakelijk deze belangrijke punten weet te behandelen, het is dan ook te hopen dat, waar samenwerking zal worden gezocht met de architectenvereenigingen (die nog altijd, ter meerdere vereenvoudiging zeker? geen bond vormen) deze de noodzakelijkheid zullen inzien van algemeene goede regeling, waartoe de vereenigingen zelve, beter dan alle adressen aan regeeringslichamen, op de eerste plaats kunnen medewerken.

VOLKSHUISVESTING.

De lezers van ons blad zullen zich herinneren, dat de heer j. e. van der pek, architect alhier en lid van ons genootschap, over bovenstaand onderwerp twee voordrachten heeft gehouden, op 3 en 31 maart l.l.
Naar aanleiding van een verslag, dat over deze voordrachten in een der dagbladen verscheen, ontving het bestuur van a. et a. een schrijven, dat wij tot onzen spijt niet in zijn geheel kunnen publiceeren.
Een persoonlijk onderzoek, dat wij naar aanleiding van dit schrijven instelden, in verband met de door den heer van der pek geschetste toestanden, maken de in dezen brief genoemde feiten meer dan waarschijnlijk.

amsterdam, 11 mei 1897.
Aan de WelEd. Geb. heeren, Bestuurderen van het Genootschap architectura et amicitia te amsterdam.
WelEd. Geb. Heeren.
Eenige dagen geleden las ik een verslag van het gesprokene in eene vergadering van architectura, waaruit mij bleek, dat in het streven, om eindelijk eens ernstige maatregelen te nemen tegen de vuile woekerzucht der huisjesmelkers, welke vlieringkrotten en andere holen tegen schandelijke prijzen voor menschenwoningen verhuren, „architectura” vooraan staat en de koe bij de horens wil pakken.
..................
Ruim twee jaren bewoon ik een, tot een zg. woning ingerichte vliering in de ... rozendwarsstraat no ...
De hoogte is ± 1.75 M. De dakpannen vol gaten en scheuren, waardoor regen en wind vrijen toegang hebben, zoomede de ruwe muren zijn niet eens met hout beschoten, alles is bouwvallig en verrot, zoodat bij regen het water door de muren sijpelt met stralen, zoodat ons beddengoed letterlijk verrot en een kleedingstuk, dat men geheel vrij van den wand ophangt, na verloop van een paar dagen met een vieze groene schimmel bedekt is. Gestookt worden kan er niet omdat de schoorsteen defect is en zoodanig gescheurd, dat men zonder krachtsinspanning, die kan omwerpen. De faecaliën worden zonder afsluiting bewaard in een emmer, tengevolge waardoor men eten, zitten en slapen moet in eene atmosfeer, onvermijdelijk aan zulk een toestand verbonden; en voor zulk eene woning wordt van ons nog f 90 per jaar geëischt, wat met 10 cents per week voor het ledigen van den genoemden emmer f 95.20 per jaar is.
..................
Ik meen te mogen gelooven dat wanneer de bevoegde autoriteiten eens een „kijkje” bij ons wilden laten nemen, door een strikt onpartijdige, onze z. g. woning onmiddellijk ter bewoning zou worden afgekeurd. Hoewel hoogbejaard waren wij toch gezonde lieden, maar, opmerkelijk is ’t toch dat wij sedert wij, door nood gedwongen, dit verblijf moesten betrekken, nog geen gezond uur beleefd hebben en vroegere bewoners ook altijd sukkelden.
Moge dit voor „architectura” eene meerdere reden zijn om dat Genootschap te bevestigen in zijne plannen en lofwaardig streven om verbetering te brengen in den afschuwelijken toestand voor de woningen der financiëel krachtloozen.
Met eerbiedige hoogachting UEd.geb. dw. dienaar
Volgde de onderteekening.

De schrijver overschat het aandeel dat a. et a. hebben kan in de verbeteringen der volkswoningen; alleen wanneer regeerders, vereenigingen en particulieren samenwerken kan in deze richting wat blijvends worden verkregen. Bovendien behoort het grootste gedeelte voor den aan ons genootschap toegekenden lof aan de vereeniging waarvoor de heer van der pek bouwde die in staat was iets te doen en zich veel moeite gaf om in het vraagstuk der volkshuisvesting eenige klaarheid te brengen.


BOEKEN. schoolwandelingen. – kijkjes in ’s rijksmuseum te amsterdam, door k. bes.

Dit boekje is no. 1 uit een serie, die bij den uitgever s. l. van looy te amsterdam verschijnen zal en behandelt de benedenzalen rondom de Oostelijke binnenplaats. Omdat dit eerste deeltje geheel gewijd is aan de tentoongestelde Historische architectuur en bedoelt, de leerlingen daaromtrent nuttige kennis te laten opdoen, vindt eene korte bespreking hier eene plaats.
De schrijver spreekt de hoop uit, dat de tochten naar buiten: Het dwalen door park en plantsoen, over veld en duin, langs heide en plas, zich gaandeweg ook zullen uitstrekken tot onze musea.
Zou men in de voorrede meenen, dat tegemoetkoming bij