gekozen, als menig wakker edelman, dat ik voor den vriend en krijgsmakker van haar gemaal mijn degen niet veil heb om hem te wreken…"
»Dat doende, hadt ge zekerlijk kans, heer Lubrecht’s lot te deelen. Gij kent de onverzoenbare verbolgenheid des Graven tegen allen, wie deze zaak voorstaan; doch zijt gerust, zoo daar verwijt en haat in haar blik was, gold dat niet u, maar wel mij…"
»U! en waarom?"
»Vraag dat niet," hernam zij, kleurende en het hoofd op zijn schouder leunende, om zich te verschuilen voor zijn blik: »want ik kan ’t u nu niet meer zeggen en zal dat niet. Weet alleen dit; die vrouw heeft tegen mij, en zoo ze u aan mij kon ontrukken, ik achte, ze zou het doen…," en de Prinses de Chimay vond tranen bij, die woorden.
»Gij weet wel, dat zij dit niet kan, zij en niemand…," sprak hij teeder .
»Zij zou mij willen schaden, mij vervolgen, voorzeker wete ik het."
»Veiligen zal ik u en beschermen, gij weet het…"
»En gij spraakt van aan hare zijde te gaan."
»Ik vroeg mij zelve af, of het niet zijn moest."
»O, voorzeker neen! het moet niet; het moet niet, als gij mij niet verliezen wilt," en met hartstochtelijkheid vatte zij zijn arm.»De Maulde! als gij mij liefhebt, blijf immer… immer aan mijne zijde, aan de andere wacht u verderf."
»Wat mij wachte! gij weet, Maria! ik kan niet anders dan blijven, waar gij zijt, dan volgen, waar gij gaat. Maar sinds we doch hieraf spreken…, ik begin de Utrechtsche zaken te mistrouwen. De welwaarde Modet woelt wat al te sterk, staat te stijf op zijn stuk, mengt zich in zaken, die niet van zijne competentie zijn, en zijne meneën beginnen mij verdacht voor te komen, ondanks al den lof, dien gij hem geeft, en de gunst, waarin hij bij u schijnt te staan."