Naar inhoud springen

Pagina:Bosboom-Toussaint, De vrouwen van het Leycestersche tijdvak tweede deel (1886).pdf/302

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

»Belle cousine!" hervatte de Gravin, die nog niets dan halve volzinnen en beleefdheidswoorden van haar had kunnen verkrijgen. »Mij dacht, het zou u goed wezen, een tijdlang andere lucht te nemen dan de Utrechtsche; gij zijt hier zonderling zeer omringd en ’t getal uwer bezoekers is niet enkel overgroot, maar bijster gemengd…"

»Mevrouwe! wil dit verschoonen… Zoo dikmaals gij mij de eere doet, op mijne noodiging te komen, zijt gij, naar ik mij herinner, niet samen geweest, dan met luiden, die u gevallig: konden zijn en in zulk gezelschap als passend was aan uw rang."

»Wat mijn rang niet past, zalook wel den uwen niet voegen, vrouw nichte!" hernam de Gravin, met gestrengheid in toon en blik. Maria de Brimeux wist geen tweede antwoord; daar viel haar oog op een krijgsman, die op verren afstand stond, doch wiens fantastische kleeding en belangwekkend uiterlijk opmerking wekten; zij dacht, dat zij gered was.

»Dat gevalt heden zoo, omdat ik mij bemoeien wil, eene loterij daar te stellen, in ’t belang van de pla1lnen van Sir Francis Drake… den cavalier, die gij daarginds ziet. Gij begrijpt, mevrouwe! bij zoo iets acht men meer op het getal dan op de persoonlijkheid der deelnemers."

»Ik dacht niet, dat men dit ontwerp in Utrecht zou opvatten, sinds het in Holland door de Staten is afgeslagen."

»Onder de leiding van den goeden Keurvorst van Keulen, mevrouwe!" hervatte Maria, die werkelijk in eene zulke bemoeiing was gewikkeld. Maar zij had ditmaal geene goede fortuin bij hare uitvluchten. Afgeleid door het gesprek, dat zij had moeten volhouden, had zij niets kunnen doen, om iets te voorkomen, dat zij vreesde, en het gevreesde gebeurde: de predikant Modet trad hare zaal binnen; hij trad binnen als iemand, die