brengen tot verontschuldiging, zelfs al ware het hem de moeite waard geweest, iets voor zich zelven te doen. En Cosmo ook , zoowel als het volk, was een vriend van streng en kort recht; alleen het weerzien van Gideon had den Italiaan eene belofte herinnerd, eenmaal aan dezen afgelegd, en dat was Wemer’s levensbehoud geweest. Toch werd hij gevangen genomen en vooreerst ingekerkerd. Later, toen alles tot rust was gekomen, en Jan Cornelisz. door bemiddeling van Gideon een onderhoud had met Prouninck en Norrits, waarbij nog eenmaal de rampspoed van Deliana en de listen van Fabian werden herdacht, kwam men spoedig tot het besluit, om de onschuld van Jan Comelisz. openlijk te erkennen, en den armen Werner zijn aandeel in ’t oproer niet toe te rekenen. Maar gevangen of vrij, het was den ongelukkige al één: hij miste Deliana.
De oude boekverkooper ook. Maar de vreugd, zijn bedrijf weer te kunnen oefenen, zijn huis, zijne boeken, zijne vrouw weder te zien, stompte bij hem, die zoo heel diep niet voelde, een deel der smarte af. Vrouwe Cornelisz., door Gideon op de voorzichtigste wijze van Deliana ’s toestand ingelicht, had haar echtgenoot te lief, om nu nog hare vroegere verwijten te uiten. Ook haar was het vergoeding, haar goeden man weer met zich te hebben. Gideon ontraadde haar, naar Leiden te reizen. Het wederzien kon voor de moeder slechts schokkend en pijnlijk wezen, en der arme dochter geen troost brengen, op wie het nog niet heilzaam kon werken; maar toch liet hij de hoop op herstelling doorschemeren.
Kapitein de Maulde, eens tot het Duitsche Huis genaderd, had zich niet opgehouden, om naar Gideon of naar de toespraak van Norrits te luisteren; maar ziende, dat eene woelzieke bende het Duitsche Huis omtrok langs den tuin heen, was hij mede dien weg gegaan, in schijn als deelgenoot, inderdaad als tegenpartij; want hij was wel besloten, met hen binnen te dringen,