Naar inhoud springen

Pagina:Bosboom-Toussaint, De vrouwen van het Leycestersche tijdvak tweede deel (1886).pdf/346

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

BESLUIT.




Terwijl dit alles te Utrecht voorviel, had men het te ’s Hage zeer druk, met de ontvangst van den nieuwen ambassadeur, met wien men menigte van vreemd verwikkelde zaken had af te doen, en zóó groot was de behendigheid van den Advocaat (den mond der Staten, als hij zich zelf noemde), dat de ambassadeur, ondanks al wat er voorgevallen was, aanvankelijk in vrij goede verstandhouding leefde met de Hollandsche partij, en wel goed genoegen nam in hetgeen er verricht was, zijnde dit gedaan, als hij naar Engeland schreef »ten oorbaar der landen, niet ter kwetsing van des Graven gezag, terwijl hij zich van der Staten goede meeninge jegens de Koningin en den Graaf volkomen verzekerd hield." Maar welhaast dwongen dieper inzicht in de zaken en pijnlijker ervaringen, hem eene andere taal te spreken, en hij begon ten laatste alles te zien, als de overige Engelsche heeren, en eindigde met de verklaring, dat de Graaf van Leycester òf niet naar Nederland moest wederkeeren, òf met eene degelijke autoriteit, die iets anders was dan het naamge-