Naar inhoud springen

Pagina:Bosboom-Toussaint, De vrouwen van het Leycestersche tijdvak tweede deel (1886).pdf/348

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

macht had moeten hebben, waarnaar hij nog slechts streefde, om aan de verwarringen en verwikkelingen een eind te maken, waaraan hij en de zijnen niet vreemd waren? — Of van den Koning van Spanje, die aanvangt te hopen, dat de prooi, hem ontgaan, vanzelve hem weder in handen zal vallen?

Arm Nederland! waarheen u te wenden? Gij moet wel wanhopen; maar neen! het volk van Nederland wanhoopt nooit; het gelooft in God; het gelooft, ondanks menschelijke feilen, in de heiligheid van deze zaak; het weet den arm des Heeren onverkort; het heeft van den eersten Oranje geleerd, niet te versagen; het heeft van de vrome voorgangeren der Hervorming geleerd, biddend te hopen, en hopend te wachten, en het verwacht ondanks alles eene uitkomst, die het niet ziet, en toch eenmaal zien zal. Luctor et Emergo is nog altijd zijn spreuk, al slaan ook de golven zich bijna samen over het zinkend Vaderland. En het blijft worstelen. Het Nederland van deze eeuw moge te geenen tijde zwakker zijn van moed, noch armer in hope, noch kleiner in geloove !


1850.