Deze pagina is proefgelezen
Wat lofzang zal het zijn, waar arts en leek gewagen
ter eer van Christus, Heil- en Licht- en Levensbron,
die, aller artsen Arts, aan ’t lijdenshout geslagen
zelf onze krankten droeg, en zonde en dood verwon!
ter eer van Christus, Heil- en Licht- en Levensbron,
die, aller artsen Arts, aan ’t lijdenshout geslagen
zelf onze krankten droeg, en zonde en dood verwon!
1843.
DICHTREGELEN
DEN Hr. EN Mevr. W. DE CLERCQ
TOEGEZONDEN
OP DEN MORGEN VAN HUN ZILVEREN FEEST,
MET EEN KRISTALLEN BOKAAL.
Met uwen God ontwaakt, by d' aanvang van een dag,
die in zijn scheemring zoo veel dankstof bergen mag,
zij 't, Bruidegom en Bruid ! aan Vriendschaps hand gegeven
den kelk U aan te biên, die, lovend opgeheven,
op dit gezegend feest aan Hem geheiligd word',
die voor uw zielen eens Zijn ziel heeft uitgestort,
die van Zijn liefde en trouw u steeds op nieuw verzeker',
die tot in eeuwigheid het deel blijv' van uw beker!
die in zijn scheemring zoo veel dankstof bergen mag,
zij 't, Bruidegom en Bruid ! aan Vriendschaps hand gegeven
den kelk U aan te biên, die, lovend opgeheven,
op dit gezegend feest aan Hem geheiligd word',
die voor uw zielen eens Zijn ziel heeft uitgestort,
die van Zijn liefde en trouw u steeds op nieuw verzeker',
die tot in eeuwigheid het deel blijv' van uw beker!
1843.
TER VIJF EN TWINTIGJARIGE ECHTVIERING
VAN DEN HEER
WILLEM DE CLERCQ
EN VROUWE
CAROLINE CHARLOTTE BOSSEVAIN,
29 JULIJ 1843.
Waak op, waak op, spreek een lied.
Boek der Richteren V: 12.
Boek der Richteren V: 12.
Langs uw breede lindetoppen, Heemsteês beemden! keer op keer,
langs uw bochten, kalme Gliplaan! en waar Haarlems gulzig meir
reeds zijn watertemmers naadren, reeds zijn bed berennen ziet,
ruischten stemmen in mijne ooren: „Waak, waak op, en spreek een lied!”
Zouden die geen weêrklank vinden, op mijn harp als in mijn hart,
die my 't blijde feestuur melden, dat hier 't al tot zanglust tart,
die my 't zalig feest verkonden van den broeder, dien 'k bemin,
en mijn boezem reeds doen tintlen van een' zelfden dankbren zin
langs uw bochten, kalme Gliplaan! en waar Haarlems gulzig meir
reeds zijn watertemmers naadren, reeds zijn bed berennen ziet,
ruischten stemmen in mijne ooren: „Waak, waak op, en spreek een lied!”
Zouden die geen weêrklank vinden, op mijn harp als in mijn hart,
die my 't blijde feestuur melden, dat hier 't al tot zanglust tart,
die my 't zalig feest verkonden van den broeder, dien 'k bemin,
en mijn boezem reeds doen tintlen van een' zelfden dankbren zin