Naar inhoud springen

Pagina:Da Costa's Kompleete Dichtwerken (Hasebroek, 1876).pdf/670

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
’k Zag een leger van golven den aanval beginnen
Zy liepen u aan,
met schelden en slaan,
met schuimende woede! Maar zouden zy ’t winnen?
Of ook over u heen heel haar menigte gaat,
zy breken, — gy staat.
Zy breken, zy wijken,
van veêrkracht beroofd.
Daar verheft gy het hoofd;
statig ziet men het prijken
met paarlen van ’t zeenat, met edelgesteent’
als van ziltige tranen by ’t zonlihct geweend.

Dus ook menig in God vastgeworteld gemoed!
wen der tegenheên vaak overstelpende vloed
voor een oogenblik tijds is geweken,
zij de bloesem van vroegere weelde vergaan,
zij ’t voor altijd op aard met vreugde gedaan,
voel’ zich ’t hart by herhaling nog breken; —
toch verheft zich in vrede de geest naar omhoog,
by den daauwdrop der smeltende smart in het oog,
en men beurt uit ons wereldsch gewemel,
als die eenzame rots
uit het golvengeklots,
naakt maar blinkend de kruin op ten hemel.

Naar ’t Engelsch.

1851.




DE HULK VAN STAAT.

O navis! referent in mare te novi
Fluctus?HORAT.


Met telkens sneller vleugelslag
doorrent de tijd des hemels bogen,
en zwaait den sikkel nacht en dag,
by wiens geflikker uit den hoogen
afgronden beurtling opengaan
en weêr met lachend groen zich dekken,
terwijl langs de oude wereldbaan
de ontelbre schaduwbeelden trekken. —
De grijzaart, leunende op zijn staf,
verwondert zich hoe weinig dagen