dert, en ras verkocht waren. De meeste die men ziet zyn groote stukken, en vele der zelve verbeelden door de boomen, boven het gebergte d’opgaande zon, stralende over de velden, die natuurlyk schynen met morgendau overspreit te wezen, wordende alles wat in afstant leit door schemeringe ontdekt. Duydelyk zyn de verdeelingen van den dag aan de verschelige temperinge der Verwen, in de zelve te bespeuren. Men ziet den morgenstond, de Velden met een blaau floers
overkleeden: de klaren middag de voorwerpen duidelyk ontdekken; en den Avondstond door zynen safferaanverwigen gloed groene Velden, Boomen, en Gronden taanen[.]
’K heb eenige jaren geleden een wonderschoon en konstig geschildert stuk van hem gezien by den Konstminner de Jode, toenmaals Drost van ’t Haagse Hof, ’t geen, om dat het by al zyn werk uitstak in helderheit, zuiverheit, uitvoerigheit, en natuurlykheit, genoemt werd het Testament van Both: dat zeggen wil, het stuk dat hy tot een staal van zyn konst, en om zyn roem op te houden, naargelaaten heeft. Dit stuk was ruim 6 voeten groot in de hoogte, en in het zelve verbeelt de Fabel van Argus en Merkuur, die redelyk groot, braaf geschildert, en geteekent waren. Voorts was het gansche lantschap, gelyk ik gezeit heb helder, en ’t groen
natuurlyk fris van koleur, nochte zoo gebraden of getaant alsmen veeltyts van hem
ziet.
Zy hebben vele jaren te samen in Italie gewoont, leefden in min, en deden malkander in ’t schilderen veel dienst, en zouden zekerlyk langer, daar gebleven hebben, zoo niet de doodt een scheiding tusschen hen beiden gemaakt had, tot