Pagina:Een klein heldendicht.djvu/37

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


het vaste rustig land der eeuwigheid,
en Vrijheid zou met de arbeiders wonen,
en alle menschen waren eeuwig vrij".

Het leek wel of de reednaar werd zijn stem,
zijn stem van goud, en dat goud weer de Vrijheid.
De Vrijheid steeg op en verdoofde alles
rondom Willems ooren. Er werd gesproken
nog aldoor veel, hij hoorde het niet meer.
Hij zag in het ovalen duister de
Vrijheid gaan, haar smijdig goud figuurtje.
Hij zag de drommen van zijn kameraden
donker blauwgroen, en haar tusschen hen komen
met haar gouden lach over al haar leden.
En zooals een die aan de donkre zee
zit, en de vioolkleurige heft haar stem,—
voor hem niet, maar lijkt slechts voor zich te ruischen.
Hij kijkt slechts naar de zon, hoe goud die is,
en goud heengaat en trekt, zoo was ook hij.
Hij zag alleen nog maar de gouden Vrijheid,
en begreep, en luisterde hoe zij ging.

33