Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/66

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
40
TEVREDENHEID IN GODS BESCHIKKING

6.

Vaak, door eigenheid bedrogen.
 Waanden wij, des Heeren eer,
Wijsheid, goedheid, alvermogen
 Bleek op andre wi's veel meer;
Maar wij lieten ons verleiden'.
 En wij feilden in dien vond.
Omdat anders, dan wij zeiden,
 In dien raad geschreven stond.

7.

Raad, dien schepslen nooit doorgronden,
 Raad, waardoor de hemel staat,
Onuitspreeklijk wijze vonden
 Van des aardbols wigt en maar.
Waardoor ’t al is afgeteekend.
 Kundig op zijn plaats gesteld.
Eeuw en dag en uur berekend,
 Starrenheir en dof geteld.

8.

Onbegrijplijk hoog beramen.
 Raad, waarnaar de hemel zweeft.
Al het schepslenheir te zamen
 Zich beweegt en roert en leeft.
Die de raadren en de veren
 Van dit magtig uurwerk drijft,
Zoo dat, in hun talloos keeren.
 Niets verwerkt, of achterblijft.

9.

Ja, wij bukken voor dien wijzen,
 Dien bepaalden raad, die wis
Al ons lieven, al ons prijzen.
 Meer dan alles waardig is;
Wie zou ooit, om eigen voordeel,
 Wenschen, dat die keten brak.
Of dat schatten in zijn oordeel
 Ligter, dan zijn ongemak?


10. Nut-