Pagina:FrankVanDerGoesWerk1939.djvu/362

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


kunnen wij helaas zelfs van een meerderheid onder de arbeiders nog niet zeggen. Maar zeggen kunnen en mogen wij, dat tegenwoordig het socialisme zich, wat zijn aanhang betreft, van ieder ander sociaal stelsel hierdoor onderscheidt dat het is het stelsel, niet van de bourgeoisie maar van het proletariaat. Deze saamhoorigheid schijnt velen zelfs een waarheid die geen bewijs behoeft, die zoo van oudsher moet hebben bestaan. En toch is niets minder waar dan dit; vroegere socialistische hervormers zochten hun volgelingen niet bij voorkeur onder arbeiders, en het uitspreken van de waarheid dat zij slechts daar te vinden zijn—terwijl omgekeerd aan de arbeiders het socialisme als de eenige redding werd voorgehouden—dankt men aan de grondleggers van de moderne sociaaldemokratie, aan Marx en Engels.

Aldus konden de grondleggers der sociaal-demokratie, Marx en Engels, ofschoon het getal van hun geestverwanten voorshands nog zeer gering scheen te zullen zijn, thans reeds driekwart eeuw geleden, in hun Kommunistisch Manifest van 1847, het socialisme uitroepen als een proletarische politiek en een proletarische ekonomie.

Zoo ook mag en moet de wereldbeschouwing die het socialisme omvat, maar die met het ekonomische en politieke socialisme niet is uitgeput, ook in haar overige bestanddeelen een proletarische beschouwing heeten.

Niet of nog niet als het bezit van alle loonarbeiders, evenmin als het uitsluitende bezit van sommige arbeiders, want er bestaat overeenkomst tusschen bepaalde schakeeringen van de burgerlijke denkwijze en de proletarische—maar toch als de theorie welke onder de klassebewuste arbeiders het verste is verbreid en tot een volledige levensleer is opgebouwd.

Als het meest algemeene kenmerk, nu, van deze leer kan worden vastgesteld dat zij is godsdienstloos, wijl de opvattingen van het moderne proletariaat niet vereenigbaar mogen heeten met eenig geloof aan het bestaan van een opperwezen, hoe ook te begrijpen, wiens leiding, heilrijk en aanbiddelijk, zou zijn waar te nemen in de verschijnselen van de natuur, de gebeurtenissen van de

358