Pagina:FrankVanDerGoesWerk1939.djvu/371

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


Idealen van menschenliefde klakkeloos toe te passen, is dan ook nooit de verwachting of het verlangen geweest van het moderne socialisme. Wel zijn hooge idealen reeds uit den strijd tegen het kapitalisme geboren, en gelijk straks werd opgemerkt, is de overeenkomst tusschen christelijke en socialistische idealen geenszins toevallig. De socialisten zouden volkomen tevreden zijn indien alle leden van de burgerlijke klasse, die zich van de zedelijke onhoudbaarheid van het kapitalisme overtuigd hadden, hun krachten voegden bij de onze voor het werk aan de hervormingen dat tot de opheffing den weg baant. Maar dit ziet men alleen als zeer zeldzame uitzondering gebeuren. Verreweg de meesten die bij het kapitalisme geen vrede kunnen vinden, zoeken den vrede voor hun gemoed niet in den praktischen strijd tegen het kapitalisme, maar in de ideëele verwijdering van het kapitalisme—niet bij het socialisme, maar bij den godsdienst.

 

De wereld, redeneeren zij, is nu eenmaal, overeenkomstig den aard van den mensch, gebrekkig ingericht, en evenals alle vroegere, is ook de bestaande maatschappij vol gevaren voor het zedelijk leven. Maar gelukkig bestaat er tevens zooiets als de godsdienst, de leer van de aanwezigheid en de werken eener hoogere, onzienlijke en geestelijke macht, met wie de zondige mensch zich in zijn ziel verbonden weet, en naar wier wil hij in zijn wandel op aarde, wenscht hij waarlijk gelukkig zich te gevoelen, zich heeft te voegen. Zoo hij dan in zijn bedrijf en broodwinning, in den omgang met magen en vrienden, in de deelneming aan de zaken van staat en maatschappij, kortom in de aanraking met de buitenwereld, den waren gemoedsvrede nimmer deelachtig kan worden, wijl dit alles het verkeer is tusschen onvolmaakte menschen—des te meer gevoelt hij zich getrokken tot het verkeer met den volmaakten God van zijn verbeelding, de overlegging van diens geboden, de vertroosting van diens liefde, de leiding van diens vaderhand.

 

En men zegge niet dat dit toch ook niets anders is dan

367